| |
Lezen: Dan.
11:1-5, 10 en 25-35
We komen bij een
heel moeilijk stuk tekst. Ik probeerde de laatste keer iets te zeggen
over wat zich buiten ons gezichtsveld afspeelt. Dingen die wij niet
kunnen zien maar die er wel zijn. Daar ging het over aan het eind van
hoofdst. 10. Daniël heeft gebeden en moest 21 dagen wachten. Krijgt
nu bezoek van Gabriël, die hem vertelt: Uw gebed is welk verhoord,
maar er was wat anders. Er speelden zaken buiten jouw gezichtsveld die
de reactie op jou gebed in de weg stonden. En wat zich buiten Daniëls
gezichtsveld afspeelde, was een strijd tussen machten in de hemelse
gewesten, waarbij zelfs koningen die op aarde nog niet eens regeerden,
daar al gezien werden. Dat is best ingewikkeld, maar zo staat het er
wel. Dat wil dus zeggen dat er in de hemelse gewesten al een vorst van
Griekenland bezig is, terwijl hier op aarde de macht van Griekenland
nog niet te zien was. Dat is, en ik hoop dat ik dat duidelijk gemaakt
heb, de vorige keer, best schokkend. Dus behalve de dingen die wij zien,
die we waarnemen, de strijd die er is, de machtsblokken die zich hebben
ontwikkeld, is er ook, buiten ons gezichtsveld, strijd gaande. Nu hoeft
dat niet nieuw te zijn, want je hebt in het NT, in Ef. hoofdst. 6, de
tekst: Onze strijd is niet tegen vlees en bloed, maar tegen machten,
krachten, overheden en machten in de hemelse gewesten. Als mensen vandaag
wat doen, bijvoorbeeld: Iemand bejegent jou hard, onheus, onterecht.
Dan kun je je tegen zo iemand keren. Maar op dat moment zou je je moeten
realiseren: Ja, hij doet dat wel, maar hij wordt gestuurd. Hij wordt
in feite gestuurd door iets van een demonische macht. Machten en krachten,
overheden in de hemelse gewesten, die mensen aanzetten tot haat, aanzetten
tot verwildering en verwijdering, aanzetten tot schisma, tot scheiding.
Dus, mijn buurman, als hij mij onheus bejegent, gaat vrijuit. Ja, nee,
dat kun je ook niet zeggen. Maar het is niet aan jou om het oordeel
daar over uit te spreken. Laat dat nu maar eens los. Probeer nu maar
eens te stellen dat de Here het ziet. En dat is ook het gebed van Daniël
geweest: O Here, hoe kan dat nu. Hoe kan er zoveel om ons heen gebeuren.
Hij zag het niet, en krijgt nu informatie. Vorsten, machten, bezig om
hier op aarde zich te ontwikkelen, hebben ook hemelvorsten, demonische
machten. En die demonisch machten vechten ook, strijden. En daar komt
de moeilijkheid natuurlijk. Want wie snapt dit. Wie kan dit nu precies
duiden. Wie kan nu precies zeggen wat er aan de hand is. Nou, niemand.
Maar het is goed om je te realiseren dat er behalve dat wat je ziet
en waarneemt of waarvan je leest of waarvan je het journaal volgt, dat
er behalve dat, meer aan de hand is.
Nu, Daniël heeft dit gehoord van Gabriël, en Gabriël
gaat in feite verder. Hij gaat hem instrueren. Hij gaat hem vertellen
dat er een aantal koningen zullen opstaan die machtig zijn, die heel
rijk zullen zijn, een paar. En één van die koningen van
Perzië, van Iran, één van die koningen, zo begint
hoofdst. 11, die zal zich zeer, zeer verrijken. En die zal een aanval
gaan doen in de richting van Griekenland. Griekenland was nog niet gezien
als een macht, als een machtsblok. Maar hij vergaloppeerd zich. Want
in Griekenland zal een koning opstaan. Dit is allemaal vòòr
die koning zichtbaar werd vastgelegd. Er zal een koning opstaan in Griekenland,
een machtig iemand, en die zal de koning van Iran, van de Mediërs
en de Perzen, van Iran, verslaan. En die koning van Griekenland die
zal buitengewoon handig zijn en snel zijn en daadkrachtig zijn. We hadden
hem al eerder in het boek Daniël, in hoofdst. 2 en in hoofdst.
7. In hoofdst. 2 gaat het om wat daar koper genoemd wordt. In Dan. 7
gaat het om een snelle panter. Beide keren ging het over diezelfde macht.
Dus niet alleen hier, maar ook al eerder, werden die koningen benoemd,
die machten geduid. Die snelle panter, dat koperen stuk uit Dan. 2,
Goud, zilver, koper, ijzer. Dat koperen stuk uit Dan. 2 is Griekenland.
En, misschien precies gezegd, het Grieks-Macedonische rijk, dus Macedonië-Griekenland.
Alexander de Grote is de eerste koning van dat Grieks-Macedonische rijk.
Dus zeg maar even Griekenland, stukje Balkan, dat hele broeinest van
vandaag. Alexander de Grote is een snelle veroveraar geweest. Heb ik
toen ook gezegd. 33 jaar was hij toen hij stierf. Veel te jong zou je
zeggen. Toppunt van zijn macht, 33 jaar. Maar hij had geen nazaat. Dus
wat gebeurde toen hij stierf. Dat rijk werd in vier moten gehakt, staat
hier, vs 4: Nauwelijks is hij opgestaan of zijn koninkrijk zal verbroken
worden en verdeeld worden naar de vier windstreken des hemels. Staat
gewoon in de tekst. Noordelijk, zuidelijk, oostelijk, westelijk, zijn
vier generaals hebben elk een stuk gepakt. En die vier generaals van
Alexander de Grote hebben zich natuurlijk gelijk man en bonus gevoeld.
Die hebben gedacht: Nu zijn wij aan de beurt. Dus die gingen elkaar
te lijf. Hoe dat met het oostelijke en het westelijke stuk zit laat
ik helemaal even los, want dat wordt dan te ingewikkeld. Waar het hier
in hoofdst. 11 om gaat is om het noordelijke en het zuidelijke stuk.
Dus dat rijk van Alexander de Grote, vanuit Griekenland, vanuit Macedonië,
het broeinest van Europa, aangestuurd, omvatte dus ook dat rijk van
Babel, van Irak en van Iran. Dus dat was een flink stuk daar in het
Midden-Oosten, met een enorme omvang. En die Alexander de Grote was
dus baas over die hele handel. Hij sterft, geen kinderen. Generaals
gaan aan de haal, elk met een stuk. En de koning van het noorden, is
het noordelijke stuk van dat rijk, maar noordelijk van Jeruzalem. En
het zuidelijke, de koning van het zuiden is het zuidelijke stuk, Egypte.
Dus je kunt stellen dat, vanuit het noorden Syrië, soms misschien
wel aangeduid met Assyrië, maar dat is Syrië met name, het
noordelijke stuk, noordelijk van Jeruzalem. En het zuidelijke stuk,
Egypte. Die koning van het noorden en die koning van het zuiden zijn
veruit de belangrijksten geworden van die vier die elk een stuk kregen.
En die koning van het noorden en die koning van het zuiden die hebben
elkaar het leven heel erg zuur gemaakt. Die zijn steeds met elkaar in
strijd geweest. En die strijd die heeft zich afgespeeld zowel in het
noorden als ook in het zuiden. Maar u kunt zich voorstellen, als je
Jeruzalem hier situeert, en je ziet daarboven, noorden, dus Syrië
liggen, de koning van het noorden, en je ziet daaronder Egypte liggen.
Dus als die koning van het zuiden de euvele moed heeft om die koning
van het noorden te lijf te gaan, ja, dan moet hij dus eventjes door
Jeruzalem heen, bij wijze van. En als die koning van het noorden denkt:
Ja maar ho, ik kom je halverwege tegemoet. Dan was het merkwaardige
dat die elkaar altijd in het land Israël hebben bevochten. daarom
staat in het boek Zacharia bijvoorbeeld, dat ze bewaard zullen blijven
voor de heen en weer trekkende legers. Nu snapt u die tekst. het ene
legertje ging van het zuiden naar het noorden. En het andere legertje
ging van het noorden naar het zuiden. En ze hebben elkaar altijd ongeveer
in het land van onze Here gevonden. Een voortdurende strijd. En soms
heeft de koning van het zuiden gewonnen en soms heeft de koning van
het noorden gewonnen. Soms hebben ze handigheidjes bedacht door met
vrouwen een beetje familie te worden, weet je wel, zo ongeveer. Als
je nu met een beetje en zus of een halfzus, dat soort dingen. Nou, dat
werkte ook van geen meter. Ze hebben afspraken gemaakt, ze hebben verbonden
gesloten, soms een heilig verbond gesloten, om of Jeruzalem te sparen
of elkaar te sparen. Nou, niemand heeft zich daar ene klap van aangetrokken.
Ze hebben gewoon die hele zaak afgehandeld alsof het niet bestond. Ze
hebben gewoon in leugenachtigheid, zo stond het hier, het verbond, de
afspraak, geschonden.
Nou, nu ben ik niet geroepen om u geschiedenisles te geven. Het is wel
mijn hobby een beetje, maar daar kan ik ook niks aan doen. De meeste
mensen houden helemaal niet van geschiedenis. Maar u kunt, als u dat
wilt, in de bibliotheek een boek ophalen, of lectuur opduiken over deze
tijd. En dan gaat u precies zien, dat dit verhaal in Dan. 11, exact
klopt. Critici hebben gezegd: "Dit is niet van Daniël, dit
is een geschiedschrijver die achteraf de zaak heeft vastgelegd."
Zo precies is het. Dus dat zeggen mensen. Die zeggen: "Ja, dit
kan helemaal niet van Daniël zijn. Dat bestaat toch niet. Dit is
gewoon een geschiedschrijver geweest die achteraf iets heeft geregistreerd.
Bijvoorbeeld Josephus Flavius, één van die hele bekende
geschiedschrijvers. Die zou het kunnen weten. Die heeft het dan niet
zelf meegemaakt, maar die heeft wel van horen zeggen, dit allemaal meegekregen."
Nu, het merkwaardige is dat in Dan. 11 een uitdrukking voorkomt over
de gruwel die verwoesting brengt. We lazen dat samen. En het is uitgerekend
die uitdrukking, die door de Here Jezus in Matt. 24, toegeschreven wordt
aan Daniël, de profeet. Dus niet aan de geschiedschrijver Flavius
Josephus, of aan geschiedschrijver huppellepup, maar aan Daniël,
de profeet. En als de Here Jezus, ik vind dat dat de enige is Die het
kan weten, Die ook nog in de hemelse gewesten kan rondkijken, ik zeg
het een beetje te plat, maar ik bedoel het wel zo, als de Here Jezus
dit zo toeschrijft aan Daniël, dan heb ik geen moeite om te stellen
dat dat niet om geschiedschrijverij achteraf gaat, maar dat het om profetie
vooraf gaat. Profetie, Daniël en zijn profetie.
Nu is het echt niet zo goed mogelijk om technisch het hele verhaal uit
de doeken te doen, van dat was die en die vrouw heette zus en die man
deed toen daar en daar en jaartal A hoort daarbij, of B. Dat kan wel,
maar dat is echt, nog een keer, heel precies uitgekomen. Daarom, de
critici zeggen: "Het moet geschiedschrijverij achteraf zijn geweest",
omdat het zo precies uitkomt.
De koning van het zuiden, Egypte en de koning van het noorden, hebben
continu Israël in de tang genomen. Met name Jeruzalem als uitvalsbasis
willen hebben. Uiteindelijk is die koning van het noorden machtiger
en machtiger geworden. En die koning van het noorden wordt in Dan. 11
heel precies omschreven. En de rest van dit hoofdstuk gaat in feite
om de koning van het noorden. daar komen we uit. Dus de rest valt allemaal
weg. Oost en west, maar ook zuid gaat weg en er blijft in feite alleen
maar de koning van het noorden over. En als u nu eens de moeite zou
nemen om te lezen wat er in het boek Ezechiël staat over de koningen
van het noorden. Over Gog en Magog, ver in het noorden en in het noorden,
dan snapt u misschien dat ook nu weer blijkt dat de profetie van Daniël,
hoofdst. 11, niet op zich staat. Kun je niet los maken van de rest.
Moet ook niet natuurlijk, maar het kan ook niet. De koning van het noorden
is een dreiging van enorme invloed. En nu zegt de bijbel dat een deel
van Dan. 11 nog moet komen. Dat behandel ik de volgende keer. Duidelijk
toekomst. En dat een deel van Dan. 11 geweest is. Dat behandel ik vandaag.
Daniël heeft niet meer meegemaakt, voor zover wij weten, dat de
tempel werd herbouwd. Heeft zeker niet meegemaakt dat in de tempel een
koning van het noorden een plek had. Jullie hebben misschien in ongewijde
geschiedenis, of in verhalende zin, verhalen en namen gehoord over Antiochus
Epifanus, één van de wreedste koningen van het noorden,
één van de machtigste koningen van het noorden. Die heeft
huisgehouden in Jeruzalem op een verschrikkelijke manier. Heeft echt
Jeruzalem bevuild met afgoden. Heeft de tempel verontreinigd. Heeft
daar een beeld van Jupiter laten neerzetten. heeft alles wat niet rein
was ingevoerd. Heeft de Joden gedwongen om onreine dingen te eten en
daarmee te doen. Offeranden te brengen met onreine elementen. Nou, alles
wat tegen het woord van God indruist is toen gebeurd. In die tijd, toen
die Antiochus Epifanus op het toppunt van zijn macht was, de koning
van het noorden, duidelijk antichristelijke trekken, vorst van de duisternis,
maar vooral antichristelijke trekken, een type van de antichrist, toen
de vorst van het noorden zo te keer ging in Jeruzalem, is er een opstand
ontstaan. Die opstand die is bekend onder de opstand van de Makkabeeën.
En daar zijn bijbelboeken van. Nou, bijbelboeken, niet in onze bijbel.
Maar misschien bent u Rooms-katholiek van origine en hebt u wel bijbelboeken
bij u over die Makkabeeën. dat zou kunnen. Want in de Rooms-katholieke
bijbeluitgaven, daar staan ook de apocriefe boeken. Die apocriefen gaan
onder anderen over die tijd en over die mensen en over die strijd. En
als u daar nog meer van wilt weten, ook Flavius Josephus die noemde
ik al, een geschiedschrijver, heeft daarover geschreven, over de oorlogen.
Het is die tijd dat er een opstand ontstond van die Makkabeeën
en die hebben, ja toch, kans gezien om Jeruzalem weer te zuiveren. Om
Jeruzalem weer een tempel te bezorgen zonder vuiligheid, zonder afgoderij.
En, ja, het was zover, dat ze geen olie meer hadden voor dat licht.
Dat er geen lampjes meer waren. Daar komt de negenarmige kandelaar vandaan,
van die tijd, de chanoeka. Dat feest wordt nog steeds gevierd, vernieuwingsfeest,
chanoeka. Dus niet de zevenarmige kandelaar, maar de negenarmige kandelaar.
Dat komt daar vandaan. En daar is een prachtig verhaal bij. Daar was
een wonder, want dat klein beetje, dat had nooit zeven dagen kunnen
branden, Maar enfin, de Here heeft dat ja, vermenigvuldigd. En dat is
blijven branden. En dat noemen we, nog steeds, het feest van de tempelvernieuwing.
En, in het NT vindt u in Joh. 10 een uitdrukking: En het vernieuwingsfeest
kwam, het was winter. Dat is dit feest, 163 v.Chr. Dat is dus de tijd
van de Makkabeeën, de tijd dat ook leiders uit de Makkabeeën
geweldige daden deden, en uiteindelijk die koning van het noorden, met
hulp van anderen overigens, hebben weg gekregen. Die hebben op hetzelfde
moment ook weer gedacht: Nu zijn wij de baas en nu regelen wij het zelf
allemaal. Nu willen wij een eigen hogepriester. Nu willen wij aan de
macht blijven. Weet je wel, je ziet altijd hetzelfde. Als de kerk een
beetje goed loopt dan zegt de voorganger: "En nu ben ik de baas
van het hele spul." Hij was eerst de dienaar, en dan is hij daarna
de chef. Ik bedoel, zo gaat het altijd. Sorry hoor, ik ga een beetje
te kort door de bocht misschien, maar dat gebeurde hier ook. Dat is
hier precies hetzelfde. En nu gaat het mij hier vanavond niet om u geschiedenis
vertellen, maar het gaat mij om een bepaalde boodschap. Die boodschap
is duidelijk gestoeld op dat wat hier is gebeurt, en dat heeft ook voor
vandaag een enorme inpact, voor zover ik het kan bekijken.
Dan, u weet het wel, één van de stammen, Dan had aanvankelijk
een erfdeel gekregen in de dagen van Jozua. En zij waren daarmee niet
tevreden. Ik weet niet of u het boek Richteren ooit gelezen hebt, helemaal,
heel spannend. Maar De Telegraaf vindt u waarschijnlijk nog spannender.
Maar in het boek Richteren staat dat de Danieten ontevreden waren met
hun eigen erfdeel. In het boek Richteren staat, dat een bepaalde man,
een zekere meneer Micha, ook ontevreden was. Die denk: Ach, dat gedoe
met die tabernakel, ik begin voor mezelf. Ik ga een eigen gemeente stichten.
Mijn verhaal, mijn vertaling, maar zo was het wel. En n zijn een eigen
godshuis, en in zijn eigen tempeltje, bij hem in de tuin of zo, een
soort prieeltje, daar heeft hij een A-beeldje, een B-beeldje, een C-beeldje.
Hij had ook wat gestolen van zijn moeder. En die had een soort vervloeking
uitgesproken. En toen hij uiteindelijk zei dat hij het gedaan had om
aan een beeldje te komen, zei zij: "Ach, gezegend zij mijn zoon."
Nou, zo ongeveer ging dat. U voelt hoe krom het was. Dus Micha was ontevreden
met dat wat de Here God had gezegd. Hij begon voor zichzelf. Micha staat
op een bepaald moment bij een kruispunt daar bij in de buurt. Dus laat
ik maar zeggen, op een rotonde die er toen nog niet was, maar zoiets.
En wie komt er aan lopen: Een meneer. "Wat doet u hier", zegt
Micha. "Nou", zegt die man, "ik ben een Leviet."
Kleinzoon van Mozes, z'n geslachtsregister staat er bij. En Micha denkt:
Tjoh, nu heb ik een echte. Iemand met papieren. Een stamboekpriester,
snap je, sorry hoor, dat mag je zo niet zeggen natuurlijk, maar iemand
met familiepapieren. Nota bene van Mozes. Wat doet Micha. Die zegt:
"Moet je eens luisteren, ik heb mijn eigen zoon al wel een beetje
tot priester gewijd, maar ja, ja, dat was bij gebrek aan beter. Maar
nu ik een echte heb, nu, nou ja, dan moet mijn zoon maar een klein beetje
andere klussen doen. Kun jij niet bij mij komen. En kun je niet bij
mij in huis priesterdienst vervullen. Want ja, dan zal de Here mij vast
gaan zegenen." Micha was ontevreden met wat God had gezegd. Die
Leviet was ook ontevreden met wat God had gezegd. Hij was op zoek naar
wat beters. En zo gebeurt dat die Micha een priester in dienst neemt.
De beloning staat er bij, per jaar, jaarsalaris. En in die tijd komen
er wat van die mensen uit Dan, van de stam van Dan. Die waren ook al
ontevreden. ja, de Here God heeft ons dat wel gegeven, maar, enfin.
Het is allemaal te breed en te smal, dus die willen ook wat anders.
En ze komen bij dat godshuisje van Micha en bij die priester en ze denken:
Jonge, jonge, jonge, dan kunnen we gelijk de Here even vragen of onze
route wel voorspoedig is. Nou, die man zegt natuurlijk: "Ga in
vrede, want uw weg is heel, heel voorspoedig." Als je maar goed
betaalt dan krijg je altijd een goed advies. De Danieten gaan weg. En
die gaan onderzoek doen of ze ergens anders terecht kunnen. Een paar
weken later, de Danieten hebben dus onderzoek gedaan, komen weer terug
bij hun stam. Die zeggen tegen hun stamgenoten: "Weet je wat we
moeten doen. We moeten dus zo en zo, daar en daar heen gaan. Naar het
noorden. Daar, daar ligt onze toekomst. En dat doen ze. En ze komen
opnieuw bij dat godshuisje van die zekere meneer Micha, en pakken die
hele handel in. Micha spattert natuurlijk geweldig tegen. En die priester
die zegt ook nog: "Ja, maar ik ben door Micha gehuurd." En
wat zeggen die Danieten dan: "Moet je eens luisteren. Wat is nu
voor jou, nou, wat is nou voor jou leuker. Priester zijn van één
man of priester zijn van een hele stam." Nou, die man die denkt:
Ik heb in één keer een hele grote gemeente, toch. Makkelijker
gaat het niet. En bovendien levert dat meer op. Dus die kiest voor de
hele stam. Echt waar hoor, ik verzin geen woord. Ja, mijn uitleg is
verzonnen. Niet verzonnen, is parafraserend, maar is wel wat er staat.
Dus wat gebeurt. Dat hele tempeltje van Micha, met afgodsbeelden, inclusief
de kleinzoon van Mozes, inclusief priester, wordt meegenomen. Hup, ingepakt,
strikje erom, meegenomen, met de Danieten naar het noorden. En daar
is voor het eerst afgoderij bedreven. Allemaal ontevreden mensen, ontevreden
met wat God had gezegd. Is het ook dat God gezegd heeft
.. Maar
het is niet zo hoor. Je hoort aan mijn toon wat ik kwijt wil. Die Danieten
die hebben zich gevestigd in het noorden. Nu nog, als je in Israël
komt, dan wordt je daar in het noorden geconfronteerd met de stam van
Dan. De bronnen van de Jordaan bij Dan Banjas en Dan, nu nog. En Dan
is nota bene de enige stam die in de 144.000, weet u wel, twaalf, twaalf,
twaalf, twaalf, niet voorkomt. Koning van het noorden, afgoderij. Die
stam is als eerste ten prooi gevallen aan de wegvoering. Dat houdt ook
geen stand. Dit gaat kapot, dit gaat stuk. Het is alsof de antichrist
uit het noorden komt. Is vaak gesuggereerd dat de antichrist mogelijkerwijs
uit de stam van Dan zou komen, om die reden. Maar de koning van het
noorden en die antichrist, worden hier in Dan. 11 vereenzelvigd. Worden
in elkaar geschoven. Wat doet die antichrist. De vader en de zoon loochenen,
zegt het NT. Wat staat hier in Dan. 11. Ik wil uw aandacht vestigen
op de laatste verzen van wat we lazen. Die koning van het noorden. Nog
een keer, ik wil, niet deze verzen als onbelangrijk bestempelen, want
dat is geschiedenis die precies is uitgekomen. Dus gewoon die en dat
en zus en zo. Maar nu gaat het mij om het volgende: Die koning die,
vs 31 zegt, die worden op de been gebracht, strijdmachten. En zij zullen
het heiligdom der vesting ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden
en een gruwel, dat is altijd een afgods-iets, een afgodisch iets, gruwel
die verwoesting brengt, een afgod, een afgod of een afgodisch stelsel,
oprichten die verwoesting brengt. En degene die zich misgaan tegen het
verbond, dus mensen die ook alles wat ze afgesproken hadden aan hun
laars lapten, ik heb het nu vertaald, dus iedereen die ook alles wat
ooit afgesproken was, wat verbond was, wat afspraak was, aan hun laars
lapten, die dat gewoon gingen negeren, die zal hij door vleierijen tot
afval bewegen. M.a.w., die gaan nog verder. Als je één
keer een stap zet, dan ga je een tweede zetten. En dan komt: Maar het
volk dat hun God kent, zal sterk zijn in daden. Dat waren die Makkabeeën.
Die zijn toen in opstand gekomen. En verstandigen onder het volk zullen
velen tot inzicht brengen. Ik wil er dit mee zeggen. Ver na Daniëls
tijd, is eer weer een tempeltje in, sorry, is er weer een tempel in
Jeruzalem, Ezra, Nehemia. Dat was ver na Daniëls tijd. En ze hebben
die tempel gehad, en daar is, ja, de Here dank gebracht, daar zijn offers
gekomen. Totdat die koning uit het noorden kwam en de hele zaak ging
vertroebelen. En van die tempel en van dat terrein en dat hele gebeuren
in Jeruzalem een soort afgodische plaats maakte. Daar een afgodsbeeld
neerzette. Het heiligdom, de vesting verontreinigde. Tijden en wet ging
veranderen. Kom ik nog op, later, volgende keer waarschijnlijk. Maar
ook het dagelijks offer deed ophouden. Alles wat aan God herinnerde
werd weggenomen. En in plaats daarvan kwam die koning daar zelf. Ik
ben het. Dat proces heeft zich toen daar voorgedaan. Daartegen zijn
mannen in opstand gekomen die hier, het volk dat zijn God kent zal sterk
zijn en daden doen, dat volk dat zijn God kende en daden deed, dat zijn
die Makkabeeën geweest. Toen was er een strijd gaande van: Hier
was een tempel voor de Here opnieuw in Jeruzalem, en de duivel kan het
niet uitstaan dat er een plaats is waar God gediend wordt. Waar het
offer des Heren gebracht wordt. Waar het dagelijks offer is. Waar elke
dag God eer gebracht wordt. En hij denkt: Dit moet ik veranderen. Mensen
die toen sterk waren, daden deden, die, nog een keer, die groep van
Makkabeeën, die zijn er hopelijk vandaag ook. Ik bedoel dit: Toen
is dit tot een gigantische bevuiling gekomen. Daniël heeft het
voorzegd. Het was echt profetie, want het moest nog komen. Toch staat
hier bij: Dit is maar een begin, want dit gaat nog véél
verder. In de toekomst komt hier nog een enorme staart achter. We krijgen
dat, zo de Here wil, de volgende keer. Nu, toen is het gebeurd. En die
Makkabeeën, die hebben hulp gekregen, maar die zijn ook weer enigermate
gestruikeld. Want er moest ook nog een soort loutering, schifting komen
onder hen.
Wat wil ik nu graag kwijt. Mijn broeder en zuster, stel nu eens dat
jouw hart en jouw leven een plaats is van lofprijzing voor de Here.
Wat doet de duivel dan. Die denkt: Daar moet ik wat aan doen. Ik moet
proberen om dat dagelijkse offer, dat brengen van eer aan de Here, dat
lofprijzen naar de Here toe, dat moet ik wegnemen. Dan zijn er allerlei
methodes. Maar de meest makkelijke is: Druk, druk, o, druk, druk. En
u weet, het lukt aardig. We hebben nog net tijd om "Here zegen
deze spijze amen" te zeggen. Niet te lang dominee, de preek. Ik
zal me er aan houden. Maar hoe gaat het dan. Het is steeds hetzelfde.
En ik wil zo graag vertellen, mijn broeder en zuster, dat dit, wat hier
staat, een soort voorbode is van wat er straks gaat komen. Dan krijgt
het pas z'n volle invulling. Nou, dan wordt alles wat zich nog op God
richt weggevaagd. Dat wordt beïnvloed, dat wordt bestookt, dat
gaat kapot. Maar dat is toen gebeurd, en dat gebeurt vandaag ook. Toen
waren er een paar Makkabeeën die de moed hadden om tegen de draad
in te gaan en daden te doen. De tempel te zuiveren, opnieuw de Here
de plaats te geven. En dat was niet makkelijk. Want zelfs onder waren
er mensen die struikelden en die door vleierijen misschien meegevoerd
werden, want zelfs daar is er nog van alles gebeurd van loutering. Ik
vind het wat moeilijk om het te zeggen, omdat het te maken heeft met
vandaag. Toen waren juist mensen die daden deden, die sterk waren en
die het volk gingen onderrichten, ook nog onderworpen aan louteren.
Je zou zeggen: "Here God, alstublieft, spaar die lui. laat die
lui door gaan." Wat zegt de Here Jezus in Joh. 15. "Ieder
die vrucht draagt, elke rank aan Mij die vrucht draagt, die snoei Hij,
opdat er meer vrucht komt." Welke ranken snoeit Hij. De ranken
die vrucht dragen. En als een gelovige problemen heeft met zijn lichaam
of met zijn omstandigheden, betekent dat, dat dat van de duivel komt.
Nou, dat kan wel een gevolg zijn van de zonden, dat geloof ik stellig.
Als het om problemen gaat van je lichaam dan is het een gevolg van de
zonden. Maar bedoelt de Here van gelovigen: Nou, maar daar gaat het
geloof wel goed. Een beetje gelovige heeft geen probleem. Een beetje
gelovige gaat, laat ik maar zeggen, in zijn zaak, gaat alles voor de
wind. Een beetje gelovige heeft geen
. Een "health en wealth
preaching", een Amerikaanse toestand van: Nou ja, als je je tienden
geeft en een beetje naar de samenkomst gaat, dan kun je je bankrekening
wel gaan bekijken elke dag een beetje plus. Dat komt over. Dat wil de
mens van vandaag. En de bijbel zegt: "Nee, juist die sterk waren,
die daden deden, die werden aan loutering onderworpen." Opdat er
nog meer vrucht zou komen. Maar dat willen we niet. Ja, Paulus, ja,
ja, hij had een doorn in het vlees. En dan zeggen we: "Ja, dat
zijn de omstandigheden." Nou, ik weet het niet. Dat zijn waarschijnlijk
lichamelijke dingen geweest, voor zover ik het kan bekijken. Maar Paulus
zegt: "Alstublieft Here, neem het van mij weg." "Ik heb
drie keer gebeden", zegt hij later. En God zegt: "Mijn genade
is jou genoeg." Opdat er meer vrucht zal zijn. Mensen die iets
meemaken, die krijgen geen correctie van God, maar een duidelijke, duidelijke
toekomstgerichte behandeling. Da's moeilijk, want dat willen we niet,
dat is tegendraads. Dat ligt ons niet. Wij willen, als we iets voor
de Here doen, al is het maar voor een paar procent, dan willen we een
compliment. Zo worden we opgevoed. We hebben onze kinderen nooit gecomplimenteerd
met iets. Dat moet nu vandaag wel. Nou ja, ik deed het wel een beetje
misschien vroeger, maar ook niet genoeg. Maar mijn vader heeft mij nooit
een compliment gemaakt geloof ik. Maar dat hoorde niet bij de cultuur
van toen. En nu zitten de psychiaters en de psychologen, die zeggen:
"Ja, dat had moeten gebeuren, want die mensen die hebben een soort
minderwaardigheidscomplex. Die hebben ook nooit complimenten gekregen."
Nou, je ziet het in Amerika: Oh, oh, you did a very good job. Nou, weet
ik veel wat ze gedaan hebben. Een bekertje in de afwasmachine gezet
of zo. De stomste dingen worden dus als een very good job aangeduid.
Nou, ik snap het wel, allemaal complimentjes. En we moeten er bij staan
als er een bal geschopt wordt. We moeten er bij staan als op school
iets gebeurt. Dat is onze cultuur: Het is mij goed, het is mij dierbaar.
Maar wij willen er niet aan dat de Here zegt: "Ik beoordeel het.
En als Ik iets toelaat in je leven, hoe moeilijk dit ook is voor je,
dan is dat niet om je te straffen. Dat is ook niet om een correctie
toe te passen in je leven, om je een onvoldoende te geven. Omdat Ik
wik dat je meer vrucht draagt." Indien de tarwekorrel niet in de
aarde valt en sterft, blijft ze alleen. Maar indien zij sterft, draagt
ze veel vrucht. Het kruis van de Here Jezus: Veel vrucht. De route die
de Here Jezus moest gaan: Veel vrucht. Ik denk dat het een bijbels principe
is. Toen waren er mannen, vrouwen, een groep mensen die zeiden: "Wij
willen opnieuw die tempel wijden voor de Here. Wij willen het vuile
weg doen en wij willen het echte weer terug. Wij willen die tempel vernieuwen.
Wij willen dat geweldige proces op gang brengen dat het echte weer voor
de Here is, dat er een dagelijks offer is. Dat er opnieuw lof een eer
gebracht wordt aan de Here." En als in jouw leven vandaag lof en
eer gebracht wordt, dan gaat de duivel te keer en probeert dit te verstoren.
En het lukt hem aardig. En ik hoop dat jij sterk bent en daden doet.
Betekent dan dat het je daarna super voor de wind gaat. Dat de aandelenkoersen
dan nooit meer zakken. Nou ja, weet ik veel, slecht voorbeeld waarschijnlijk,
want
.. Dat het gewoon helemaal goed gaat, dat er nooit meer iets
negatiefs gebeurd. Nee, dat betekent het helemaal niet. Maar is je hart
nog gericht op de Here. Gaat het in jouw leven om jouw welzijn of om
Zijn welzijn. Om mijn welbevinden of om Zijn welbevinden. Waar ligt
het accent vandaag. Toen waren er mensen die zeiden: "De Here,
U moet terug. U moet opnieuw de eer krijgen. U moet de glorie krijgen.
U in dit huis, U." En die gruwel van verwoesting, dat afgodisch
denken, dat verkeerde denken, dat ik-denken, dat demonisch gedoe, dat
wat verkeerd is, wat occult is, wat belast is, wat beladen is, dat moet
weg. Alles wat onzuiver is dat moet weg. Al het onzuiver dat moet weg
en het zuivere moet terug. Ziet u het contrast misschien met dit, dat
is een tussenzin, in Joh. 10. Op het vernieuwingsfeest loopt de Here
Jezus in de tempel. Het was winter, op dit feest, herinnerend aan dit.
En wat doen ze met Hem. Ze gooien Hem eruit. Toen ik dat las voor het
eerst, toen dacht ik: Verdraaid, hoe is het nu mogelijk. Op het moment
dat je denkt aan: Het vuile moet weg, het verkeerde moet eruit en het
goede moet terug, dan gooien ze de Goede eruit, en het vuile blijft.
Joh. 10, het staat er. Ze hebben Hem de tempel uit gegooid. Ze nemen
stenen op om Hem te stenigen.
Maar goed, toen was dat zo. Maar nu wil ik je gewoon vragen of je de
Here de eerste plaats wilt geven in je leven. Of je het dagelijks offer
wilt brengen. Wat bedoel ik daarmee. Bidden elke dag, nee. De Here prijzen
elke dag. De Here eren elke dag. De Here groot maken elke dag. Elke
dag Hem alle eer geven. Hem zeggen: "U bent het, Here Jezus, U
bent de enige." Natuurlijk is dat een doorn in het oog voor de
duivel. Die wil absoluut niet dat je dat doet. Die wil zelf op de troon,
via jou zelf. En die zegt: "Maar het is niet alleen de Here Jezus.
Jij bent er toch ook." Het accent wordt vandaag de dag volledig
gelegd van de Here naar ik, naar wij, soms de gelovige. Of naar onze
leer, of ons gelijk. U mag een aantal dingen invullen. Niet meer de
Here Jezus Zelf, maar ik. Toen waren er mensen die sterk waren en daden
deden. Toen waren er mensen die misschien wel voor Hem gingen, zoals
ze nog nooit gegaan waren. En volgens de verhalen in het apocriefe deel
van uw bijbel is dat ook zo. Schitterende daden hebben zij verricht.
En waar zijn ze vandaag. Ik hoop hier. Vanavond, hier in deze zaal.
En er vanavond mensen zijn die zeggen: "Here Jezus, U bent voor
ons alles. U bent de Enige. En we willen gaan voor U. We willen voor
100% gaan voor U. Wij willen ons leven uitstrekken voor U. Wij willen
onze tijd in U investeren." En er zijn al rekensommetjes genoeg
geweest. Jan Diepenveen heeft dat een keer hier gedaan, dat 10% van
je tijd is 2.4 uur per dag, 10% van je tijd voor de Here. Nou ja, je
denkt: Nou. Daar ga je, weet je wel. Er blijft eigenlijk maar een heel
klein stukje over. maar die rekensommetjes hebben we al een keer gehad.
Maar wie is nu in staat om sterk te zijn en daden te doen. Zou de Here
dit vertellen om de geschiedenis van Israël mee te delen, alleen
maar geschiedenisboek. Onzin. De Here vertelt je dit, omdat er in de
toekomst nog iets geweldigs, maar dan in negatieve zin, gebeurt. Hetzelfde.
De finale strijd tussen duisternis en licht. Toen is het gebeurd, zeg
maar 170, 180, maar ook tot 160 v.Chr., dat loopt een beetje terug.
En dat gebeurt vandaag nog. ik hoop dat je het ziet. Ik hoop dat je
zegt: "Here Jezus, we hebben deze geschiedenis nodig om vandaag
wakker geschud te worden. Om vandaag te leren dat we voor U mogen gaan.
Dat het echt om U gaat. En we willen U het heiligdom aanbieden. We willen
U de vesting geven. Hier mag U wonen. We willen U het dagelijks offer
geven. We wille U prijzen. We willen U bedanken. We willen U groot maken.
Here Jezus, we willen U alles geven." Toen waren er een paar mensen
die zeiden: "We moeten de Here opnieuw die plaats geven."
Want de koning van het noorden had het helemaal bont gemaakt. had van
alles binnen geschoven. En dat gebeurt vandaag nog. Het antichristelijke
denken, de geest van de antichrist, nog preciezer, vele antichristen
zijn uitgegaan, en die komen binnen en die brengen van alles binnen.
En wat doe je er mee. Ik hoop dat je begrijpt wat Dan. 11, het eerste
stuk zegt. ik hoop niet dat het vermoeiend voor je geweest is dat het
een geschiedenisverhaal is. Maar ik zou zo graag willen dat de boodschap
die hier achter zit overkomt en dat je vanaf nu zegt: "Here Jezus,
ik wil niet een eigen tempeltje bouwen. Dat deed Micha in zijn dagen
wel. Maar ik wil wel in de tempel van de Heilige Geest, dus niet mijn
tempel, maar Zijn tempel, U prijzen. Ik wil U een offer brengen."
Een offer, een zoete geur. De vrucht van de lippen die Zijn naam belijden.
Je hoeft niet met een dier te komen. Je hoeft zelfs niet met andere
dingen te komen. De vrucht van de lippen. Dat wat je zegt. Niet alleen
je overpeinzingen. Want je denkt: Nou, dat kan ik in de auto ook hè,
overpeinzen. Maar, de Here prijzen. Stel nu dat we allemaal morgenochtend
beginnen met de Here lof te brengen, voor we onze gebedslijsten voor
Hem neerleggen. Lof, aanbidding, grootmaking. Hij troont op de lofzangen
van Israël, lof, lof. De duivel zegt: "Ach, het is zo moeilijk,
het is zo zwaar. Zie je dat dan niet, hoh." De stemming drukt.
En voordat je er weer bovenop bent en dat eindelijk weer een keer zegt:
"halleluja", dan is de dag om. Zullen we morgenochtend beginnen
met: Halleluja. Halleluja. Dominee Buskes vertelt een verhaal van iemand
die uit de kringen van het Leger des Heils kwam en in de Hervormde kerk
in Amsterdam terecht kwam. Die man die riep om de haverklap halleluja.,
En dat was niet helemaal de taal van de Hervormde kerk toen. Kerst brak
aan, en ze zeiden tegen elkaar: "We moeten toch proberen om die
man een beetje rustig te krijgen, want hij roept om de haverklap halleluja.
Dat kan toch niet hè." Dus zei zeiden tegen hem: "Moet
je eens luisteren. Het is winter en zo, het is koud, we zullen je namens
de diaconie wat extra spullen geven. Wat dekens en zo. Maar je moet
toch een beetje rustig zijn met halleluja en zo." En hij stemde
toe. De preek van kerst kwam en het was zo mooi. En hij riep: "Dekens
of geen dekens, halleluja." Het is echt gebeurd, dominee Buskes
heeft het in één van zijn boekjes verteld. Iedereen is
bezig om iedereen een beetje het zwijgen op te leggen. Maar zou jij
dan morgenochtend halleluja willen zeggen. Ook als het, nou ja, even
niet mee zit of zo. Moet je dat dan gemaakt doen. Nee, niet gemaakt.
Here, maar U bent boven alles. Er kan van alles gebeuren in mijn leven
en om mij heen. Machten, krachten, van alles. Maar daarboven bent U.
En ik wil U daarvoor prijzen, halleluja, amen.
|
|