-
|
- Discipelschapstraining door Dato Steenhuis
- We gaan een stukje lezen uit Matteüs 6:1-18.
-
- 1 Ziet toe, dat gij uw
gerechtigheid niet doet voor de mensen, om door hen opgemerkt te
worden; want dan hebt gij geen loon bij uw Vader, die in de hemelen
is. 2 Wanneer gij dan aalmoezen
geeft, laat het niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars doen
in de synagogen en op de straten, om door de mensen geroemd te
worden. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds.
3 Maar laat, als gij aalmoezen
geeft, uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet,
4 opdat uw aalmoes in het
verborgene zij, en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u
vergelden.
- Het bidden
- 5 En wanneer gij bidt, zult
gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de
synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de
mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds.
6 Maar gij, wanneer gij bidt, ga
in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het
verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u
vergelden. 7 En gebruikt bij uw
bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen
door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden.
8 Wordt hun dan niet gelijk, want
[God] uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.
9 Bidt gij dan aldus:
- Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd;
10 uw Koninkrijk kome;
- uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.
11 Geef ons heden ons dagelijks
brood; 12 en vergeef ons onze
schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren;
13 en leid ons niet in
verzoeking, maar verlos ons van de boze. [Want Uwer is het
Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.]
- 14 Want indien gij de mensen
hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven;
15 maar indien gij de mensen niet
vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.
- Het vasten
- 16 En wanneer gij vast,
toont dan niet, zoals de huichelaars, een somber gelaat; want zij
maken hun aangezicht ontoonbaar, om zich aan de mensen te vertonen,
wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds.
17 Maar gij, zalf uw hoofd, als
gij vast, en was uw gelaat, 18 om
u
- niet bij uw vasten aan de mensen te vertonen, maar aan uw
Vader, die in het verborgene is; en uw Vader, die in het verborgene
ziet, zal het u vergelden.
-
- Tot zover.
-
- Matteüs 6. Een voortgang in onze studie over discipelschap. Voor
alle helderheid: dit is dus bedoeld voor gelovigen, voor mensen die
de Here Jezus Christus kennen als hun Heiland, als hun verlosser,
die weten dat de schuld weg is en die nu voor de Here Jezus willen
leven. Het gaat bij discipelschap niet om tot geloof te komen, om
een gelovige te worden of in de hemel te komen. We hebben dat iedere
keer benadrukt, maar het gaat bij discipelschap om voor de Here
Jezus te leven, omdat je een gelovige bent, omdat je weet in de
hemel te komen, omdat je weet dat je zonden vergeven zijn en omdat
de Here Jezus graag wil, dat wij Hem hier op aarde etaleren, dat we
laten zien wie Hij is. Het is de discipel genoeg om te worden als de
Meester. Dat zeiden we elke avond. Dat zeggen we ook vanavond. We
mogen de Here Jezus laten zien. En daar zijn natuurlijk al allerlei
dingen gezegd, maar dat is opgenomen. Voor iemand die dit niet mee
maakte kan ik alleen maar wijzen naar een cassetteband of naar een
cd.
-
- Nu gaat het vanavond over aalmoes, iets geven dus, iets vragen
en iets niet nodig hebben, zo zou je het heel kort samen kunnen
vatten. Iets geven, iets vragen en iets niet nodig hebben. En alle 3
die dingen hebben te maken met discipelschap. Het 1ste
blokje is niet het moeilijkste, het 2de waarschijnlijk
het moeilijkste en het 3de is een beetje onbegrijpelijk.
Ik weet niet of dat zo moeilijk is, maar we hebben daar eigenlijk
niet zo veel plek voor in onze huidige situaties.
- Het geven van aalmoezen. Ik denk dat een ieder bij aalmoezen een
associatie heeft met Handelingen 3. Misschien wil je dat even
opslaan voor jezelf. Hand. 3:1-13. 1 Petrus
nu en Johannes gingen op naar de tempel tegen het uur des gebeds,
dat is het negende. 2 En een man,
die verlamd was van de schoot zijner moeder aan, zodat hij gedragen
moest worden, zetten zij dagelijks bij de poort van de tempel,
genaamd de Schone, om een aalmoes te vragen van de tempelgangers.
3 Toen deze zag, dat Petrus en
Johannes de tempel zouden binnengaan, verzocht hij om een aalmoes.
4 En Petrus zag hem scherp aan,
met Johannes, en zeide: Zie naar ons. 5 En
hij hield zijn blik op hen gevestigd in de verwachting iets van hen
te ontvangen. 6 Maar Petrus zeide:
Zilver en goud bezit ik niet, maar wat
- ik heb geef ik u; in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër:
Wandel! 7 En hij greep hem bij de
rechterhand en richtte hem op, en terstond werden zijn voeten en
enkels stevig, 8 en hij sprong op
en stond en liep heen en weer en hij ging met hen de tempel binnen,
lopende en springende en God lovende. 9 En
al het volk zag hem lopen en God loven;
10 en men herkende hem als degene, die
- om een aalmoes gezeten had aan de Schone Poort van de tempel; en
zij werden met verbazing en ontzetting vervuld, over wat met hem
gebeurd was. 11 En toen hij Petrus en
Johannes vasthield, liep al het volk rondom hen te hoop in de
zogenaamde zuilengang van Salomo, vol verbazing.
12 En Petrus zag het en antwoordde het volk: Mannen van
Israël, wat verwondert gij u hierover, of wat staart gij ons aan,
alsof wij door eigen kracht of godsvrucht deze hadden doen lopen?
13 De God van Abraham en Isaak en Jakob, de
God onzer vaderen, heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt.
- Hier vindt je dus heel concreet wat in Mat. 6 wordt
verondersteld, iemand die een aalmoes nodig heeft. En natuurlijk kun
je denken aan financiële dingen. Je kunt een klein potje hebben in
je eigen huis en je kunt iemand aan de deur krijgen, die gewoon dat
geld nodig heeft. Je kunt de overtuiging krijgen: ik moet een doosje
met boodschappen brengen bij iemand in de plaats waar je woont,
omdat iemand dat nodig heeft. En dan moet je niet gaan zeggen in de
gemeente hoe goed je geweest bent, dan moet je dat niet vertellen om
er zelf beter van te worden. Dat gevoel krijg je dus soms wel eens.
Ik ben al vaak in Amerika geweest en dan zie je dat al die
christelijke universiteiten of Hoge Scholen of hoe ze ook heten
mogen, allemaal bijna schenkingen zijn, van rijke families en van
anderen en elke ruimte waar je slaapt, dat zijn dan van die ruimtes
waar normaal gesproken de studenten slapen, maar die worden in
vakantietijden verhuurd aan conferenties en zo, waar je dan mag
komen, nou altijd het bordje: gegeven door die en die of door die en
die familie. Je komt in
- een zaal en Mary Anderson, weet je wel, weer een heel verhaal,
een borstbeeld. Ze hebben het allemaal gegeven aan de Here, maar
ondertussen krijgen ze gigantisch de eer. Ik geloof ook, dat de
mensen die het geld ontvangen, voor moeten gaan in betoning van eer.
Maar de andere kant is, dat diegene die het geeft, eigenlijk zou
moeten zeggen: ik wil het niet weten dat ik het geef. Het is
namelijk niet van mij, het is van de Heer Zelf. Daarom vind ik het
voorbeeld in Handelingen 3 zo mooi, omdat het daar gaat niet om iets
financieels, om iets van materie, maar om een geestelijke aalmoes.
Petrus zegt: zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat zal ik
je geven. En dan zegt Petrus: je moet niet ons aanstaren, beste
mensen, wij hebben het niet gedaan, de Here Jezus heeft dit gedaan.
Dus weer dat geven, niet om er zelf beter van te worden. Nu zeggen
we, oh ja, dat snap ik. Daarom een collectezak, heel anoniem. Geen
collecteborden met je eigen naam erop of collecteborden zonder je
naam, maar laat dat nou maar even los, maar gewoon heel anoniem. Ik
- wil anoniem blijven. Nu, dat kan al bijna niet meer vandaag.
Daar moet je al extra voor betalen, als je anoniem wilt blijven,
maar de gedacht erachter is, dat je de dingen die je hebt en die je
mee kunt delen aan anderen, niet voor jezelf doet. Niet discipel
zijn, om er zelf op de ene van der manier uit
- te springen. Dat gevaar is behoorlijk groot. Ik weet niet of je
ooit het gevoel hebt gehad, dat mensen van jou iets gingen
verwachten, zoals bij Petrus en Johannes toen in Handelingen 3, maar
- als dat zo is, loop je risico, dat je jezelf ook gekieteld
voelt. Je eigen eer speelt ook een behoorlijk partijtje mee in het
blaasorkest van mensen en je wilt toch ook graag een stukje eer mee
ontvangen. Natuurlijk zeg je: de Heer alle eer, maar ondertussen is
het eigen ik daarin wel behoorlijk aangesproken. Ik wil wel
voorbelden geven uit mijn eigen leven en die zijn er genoeg. Dat je
zei, dat je het voor de Here deed, maar in feite was je met jezelf
bezig. Een voorbeeld geef ik toch, omdat ik behoorlijk onderuit
zakte op dat moment. Het was vrij in het begin van mijn bediening
toen ik
- nog met de Tabernakel rond trok, een model. Ik heb het
model nog wel, maar ik gebruik het niet zoveel, omdat het zoveel
werk is om het op te bouwen. Maar toen had je geen keus, dus je deed
dat. Ik kwam in Velp in een bejaardencentrum, om daar aan die oudjes
het verhaal van de Here Jezus te vertellen. Bij binnenkomst, er was
nog een vriend en broeder bij me, dachten we: wat een stelletje ….
na ja. 3 letters, het begint met een k en eindigt ook met een k,
zeer geaffecteerd en heel erg beleefd, maar ze lieten zich niet
zien. Uiteindelijk kwamen er elf dames opdagen, die de hele middag
hebben mee gemaakt. Dat was voor een heel geweldig groot huis
natuurlijk maar een heel klein plukje. Die dames waren zeer beleefd
in het zich verexcuseren en ook zeggen dat anderen niet konden, het
was allemaal heel “polite”, het was heel netjes. In de pauze werd
een trolley met koffie en thee binnengeschoven, door de keuken of
zo, maar die dames waren natuurlijk te deftig om koffie en thee te
schenken. Dat moest ik doen. Dat heb ik ook wel gedaan, maar ik
dacht wat een ….na ja. Ik zal het verhaal niet herhalen, maar daar
kwam het ongeveer op neer en aan het eind was het ongeveer net zo.
Nou we kregen dan ƒ 50,-- in een envelop mee en we gaven iedereen
- een boekje “Huis van Goud”, gratis. Nou als je dan 11 of 12 van
die boekjes weggeeft, dan blijft
- er van die 5 tientjes natuurlijk ook helemaal niets over voor
reiskosten en weet ik veel, maar daar moesten we dus dankbaar zijn.
“Vindt u het nu niet de moeite waard, vindt u het nu niet erg, dat u
slechts voor 11 mensen hier geweest bent ?”, vraagt een van die
dames. En wij, ik, zei: nou de Here Jezus wilde voor een vrouw door
Samaria gaan, heel vroom antwoord (Joh.4), dus wij hebben nog 11. Oh
ja, ja ja. Je zag haar knikken en denken, dat is een vrome Hein, die
is nog beter dan de Here Jezus, zo ongeveer. Nou dat kittelde ook
wel een beetje. Ik had de zaak weer in een karretje gepakt, al die
kratten en zo, behoorlijk bezweet en toen wilde ik net in de auto
stappen, toen kwam een mevrouwtje van boven lopen, een van die
dames, een van die elf, en die zwaaide met ƒ 25,--, met een briefje
van ƒ 25,--. Wil ik u graag geven. Ik zeg mevrouw dat hoeft niet, we
zijn door het huis betaald. ƒ 50,-- en minus minus en toen gebeurde
het wat ik eigenlijk wil zeggen. Toen zei ze: ik heb maanden
gebeden, of ik iets van de Here Jezus mocht zien en vanmiddag is
mijn gebed verhoord. Ik wil u toch graag ƒ 25,-- geven. Toen zakte
ik door de grond. Ik had wel een hele vrome mond over: ik doe het
voor de Heer en de Heer ging voor één vrouw door Samaria, maar dat
meende ik helemaal niet. Dat was helemaal niet zo. Dat zeg je wel en
je wilt wel alle aandacht… Ja het is voor de Heer, hoor, prijs de
Heer, vingertje omhoog. Maar innerlijk loop je te mopperen. Jij
krijgt niet de eer, jij krijgt niet de aandacht, niet dat wat je je
eigenlijk hebt toegedacht. Dat is
- een voorbeeld waardoor de Here je duidelijk maakt wat het geven
van aalmoezen is. We kunnen daar prachtig over praten en we kunnen
anonieme giften geven, maar om wie gaat het nu, als jij iets geeft?
En is het geven van aalmoezen alleen maar financieel of zou dat ook
nog met je tijd te maken kunnen hebben, zou het met je capaciteiten
te maken kunnen hebben, zou het dat kunnen zijn wat Petrus zegt in
Hand. 3: zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik
je. En dat betekent, dat Petrus dat wat hij had inderdaad ging geven
en dat is: ik heb de Here Jezus lief, ik wil Hem graag met je delen.
Daarbij gaat het niet om Petrus of om de kerk van Petrus of om de
kleur van Petrus of om de bediening van Petrus. Het moet dus gaan om
de Here Jezus. Wij leven nu in de tijd waar alles zo gezegd om de
Heer gaat. Als je een muziekgroep hebt ergens, ze treden op en ze
krijgen applaus, dan staan ze allemaal zo (handen omhoog) dat is
heel goed bedoeld, ik doe het ook altijd. Maar ik denk altijd aan
Velp. Ik zei ook prijs de Heer, maar innerlijk dacht ik, nou ze
mogen wel wat meer betalen. Dat tweeslachtige in je denken, dat wil
ik gewoon duiden. Het geven van een aalmoes is veel meer, dan een
duit in de collectezak. En ik hoop, dat je nu durft te zeggen aan de
Heer, gewoon voor jezelf, zittend hier op de stoel: Heer, dat wat ik
heb wil ik delen met een ander en dat doe ik omdat U dat wat U had
met mij wilde delen. De Here Jezus wilde de erfenis niet voor Zich
alleen, Hij wilde die delen met jou. En als je gelooft in de Here
Jezus, dan ben je rijk, dan ben je ongelofelijk bevoorrecht, maar je
moet het ook willen delen. Discipelschap is, dat een aalmoes gegeven
wordt en dat je rechter hand niet weet wat je linker doet. Nou dat
kan natuurlijk nooit in de volstrekte zin, want je weet heel goed
wat er gebeurd, maar we begrijpen ook de uitdrukking wel. Het mag
niet gaan om onze eer, om het imago van ons zelf, maar het moet dus
echt gaan om
- de Here Jezus.
- Het tweede blokje, dat heeft te maken met het bidden. Dat is wat
moeilijker. Bovendien loop ik risico, dat ik misschien niet tegen
een scheen schop, want dat probeer ik echt te vermijden en dat wil
ik in elk geval niet zo graag, maar daar zijn zoveel associaties met
bidden en met het “Onze Vader”, dat je heel voorzichtig wordt. Mijn
vader en moeder hebben voor zover ik weet aan tafel nooit anders
gebeden dan het “Onze Vader”. Dat werd met een, ik weet niet hoe ik
het zeggen moet, als het een 45 toeren plaat was, dan werd die op 78
snelheid gedraaid of zo, weet je wel, zo vlug bijna ging dat. En in
de kerk was dat ook zo, alleen daar gebeurde het behoorlijk op
snelheid, ik bedoel niet te vlug, gewoon. Maar altijd het “Onze
Vader”. Nou het “Onze Vader” was voor ons, voor mij tenminste, iets
heiligs. Ja dat waren de woorden van de Here zelf. Als je dan toch
bidden wilde, dan kon je beter woorden gebruiken, die de Here Jezus
zelf had gebruikt, want dan vergaloppeerde je je niet. Beetje
risicoloos bidden. Je durft jezelf niet kwetsbaar op te stellen,
want stel je voor, dat je je vergist of zo. En dat gevoel is niet
alleen gebleven, dat is alleen maar versterkt in de loop van de
tijd. Begrafenissen, samenkomsten, samen het “Onze Vader” bidden, de
woorden van de Heer, het gebed van de Heer en daar hebben we het nu
over. Het risico is, dat je op een profane manier met dat soort
gevoelens omgaat. Dat wil ik niet, want bidden is heel teer en dat
heeft te maken met jou relatie met God. Ook al zou je de woorden
achterste voren naar de Here God brengen, dat komt toch wel over.
Daar zijn hele schitterende, simpele kindervoorbeelden van, die
- ik nu maar niet ga noemen, maar de Here hoort het en de Here
kent je, Hij weet wat in je omgaat. We hoeven elkaar in die zin ook
niet te vertellen hoe we moeten bidden. Bidden is de adem van het
geloofsleven. Zoals je lichaam niet zonder zuurstof kan, zo ongeveer
is bidden in je geloofsleven. Het gaat er niet zonder. En in dit
blokje, Mat 6 discipelschap, komt ineens dat gebed. Het komt 2 keer
voor in het NT, dat weet je, het staat ook in Lucas 11, maar daar
staat het heel anders, daar worden ook stukjes weggelaten. Niet
hetzelfde, niet dezelfde woorden, de aanleiding is ook anders. “Here
leer ons bidden”. Johannes de Doper had zijn discipelen bidden
geleerd en de discipelen van de Here Jezus willen ook graag, dat Hij
hen onderwijst hoe ze moeten bidden. Nou daar krijg je Lucas 11, het
“Onze Vader”. Het is toch anders dan in Mat 6. Het verschil tussen
die twee ga ik niet uitleggen, maar ik ga wel zeggen, dat er
verschil is en dat brengt me tot de eerste uitspraak, dat, voor
zover ik dat zie, het “Onze Vader” nooit gegeven is als een
formuliergebed. Dan had dit twee keer op precies dezelfde wijze in
de Bijbel gestaan en dat is niet het geval. Vervolgens zal iedereen
die met mijn gelezen heeft vanavond zich misschien hebben
afgevraagd, kijk nog een keer in Mat 6, dat bij vers 13 wat wij wel
eens noemen tekst kritische haakjes staan. Het slot van het “Onze
Vader”: want uwer is het koninkrijk….. Amen en dan komt weer
datzelfde haakje, dat betekent, dat het in vele gevallen niet staat,
dat in vele handschriften deze zin volledig ontbreekt. Dus het slot
- is op zijn minst twijfelachtig. Of dat er wel bij gestaan heeft,
of dat dat bijgezegd is. Dat is dus al het tweede argument, dat je
op moet passen, met dit tot formuleergebed te verheffen. Alsof dit
ongeveer de woorden zijn, die een gelovige zou moeten bidden. Maar
het grootste probleem schuilt hem in de inhoud. Ik kom in
evangelische hoek ook heel veel en daar wordt gezegd, dat kun je
toch niet bidden het “Onze Vader”. Als je nu bid, vergeef ons onze
schulden en de Bijbel staat er vol van, dat onze schulden en onze
zonden ons vergeven zijn, moet je dan elke keer weer zeggen…? Is het
dan ongeveer zo, als een kind, dat vraagt om een autootje en je hebt
hem een autootje gegeven en de volgende dag weer vraagt, mag ik dan
a.u.b. een autootje, maar je hebt …, ja maar ik wil het toch nog een
keer vragen. Dan zeg je naar vijf keer a.u.b. hou op met dat zeuren
over dat autootje, dat heb je toch, nou speel er dan mee. Nou zo
ongeveer. Zo wordt deze tekst in evangelische hoek uitgelegd en dat
snap ik. En u bid, vergeef ons onze schulden. Maar u bidt er ook nog
achteraan, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. En dan denkt
u, nou ik weet niet of ik wel in de hemel kom. Als mijn schulden
vergeven zijn, in de mate waarin ik anderen vergeef, kom ik er dan
wel.
- We zitten midden in het probleem. Dat voel je. En ik wil zo
graag, dat dit blokje over het bidden overkomt. Het vasten komt dan
nog, dat hoort erbij, maar eerst het bidden. Ik ben begonnen deze
serie met te stellen, dat we het hebben over discipelschap en dat
discipelschap te maken heeft met het koninkrijk. Ik weet niet of
iedereen zich dit voldoende herinnert. Ik heb toen gezegd, de
gemeente wordt op een paar manieren voorgesteld in de Bijbel. Als
een lichaam, daarbij gaat het om een levensrelatie. Je hebt leven
uit God door het geloof in de Here Jezus en je komt in de hemel,
omdat je gelooft in de Here Jezus. Niet omdat je goed discipel bent,
dan kwam je er nooit.
- Maar je bent een kind van God door geloof. “Uit genade
zijt gij behouden, niet uit uzelf, het is een gave van God, een
geschenk van God.” En door het geloof hebben wij het recht om een
kind van God te worden genoemd. Door het geloof. De gemeente werd
ook gezien als een huis, waarin gediend werd. Gaven horen bij het
lichaam, ambten horen bij het huis. De gemeente als een kudde, de
gemeente als een bruid, wij hebben dat toen allemaal uit de doeken
gedaan. U koopt bij de familie van Schoor de bandjes en u komt
erachter, en de gemeente wordt gezien als een koninkrijk, het vijfde
element. En bij koninkrijk gaat het er niet om in de hemel te komen,
daarbij gaat het om een getuige te zijn van de Here Jezus hier op
aarde. Discipelschap en koninkrijk horen bij elkaar. Discipelschap
en beloning horen ook bij elkaar. Daarom hoort u de Here Jezus ook
zeggen, uw loon zal groot zijn in de hemel en als je hier op aarde
als eer krijgt, omdat je een duit in de zak deed, dan heb je je loon
al. Maar mensen, die echt deden wat Mat. 6 zegt over aalmoezen
geven, die krijgen hun loon nog. Discipelschap en loon horen bij
elkaar. De Here beloont je en de Here
- ziet je als een leger, als een hele rij soldaten in het front en
strijdend voor de Here Jezus. Bezig hier op aarde en in dat kader
staat ook het “Onze Vader”. Niet in relatie tot de gelovige,
verboden met Hem die het Hoofd is. Dan zeg je: Here, ik heb leven
uit God, ik ben verbonden met Hem die in de hemel is. En zo zeker
als Hij daar is, zo zeker kom ik daar ook. Hij, het Hoofd, is daar
reeds en ik kom er ook. Leven uit God, huis van God, kudde, bruid en
bruidegom. Maar nu: ik ben een discipel. En wat doet een discipel?
Die werkt hier, getuigt hier, spreekt hier, geeft zich zelf weg,
geeft aalmoezen, cijfert zich helemaal weg, houdt natuurlijk de wet,
zoals we de vorige keer zagen. Niet om in de hemel te komen, maar om
bruikbaar te blijven in Gods koninkrijk. Nu wordt heel vaak die term
“bruikbaar in Gods koninkrijk” gebruikt en dan denken we aan, ja ik
moet een beetje bruikbaar blijven, anders kom ik er niet. U komt
nooit in de hemel, omdat u bruikbaar bleef. U komt in de hemel,
omdat u gelooft in de Here Jezus. Hou vast en hou vol. En toch, de
Here Jezus zegt: bidden, nou daarbij gaat het ook niet om de
vroomheid er te laten afdruipen. Het gaat er dus niet om dat je
ergens op een plein staat en eigenlijk aan iedereen laat zien, hoe
vroom jij bent. Het gaat dus niet om een gave van gebed, dat bestaat
trouwens niet, niemand heeft een gave van gebed. Ik heb ze gekend,
die zeiden, dat ze een gave van gebed hadden, dat is voor de anderen
een opgave, want die moeten er ongelofelijk lang naar luisteren. En
al die verhalen, die via de hemel naar elkaar toe werden geslingerd,
die werken toch niet op ten duur. En al die bijbeluitleg, die via de
hemel gaat, dat je de Here God verteld hoe de gemeente in elkaar
zit, hoe de gelovigen eigenlijk zouden moeten wandelen, dat werkt
ook niet. Maar dat komt heel vaak voor. Het is dus nooit zo, dat je
via de hemel een soort verklaring aan anderen door geeft. Jammer
genoeg is dat vaak zo. Nee, dan heb je je loon al. Dan heeft
iedereen al geklapt van, ja maar die kan bidden. Dat is precies
hetzelfde, als mensen nu naar je toekomen: broeder, zou u voor mij
willen bidden. Ik zeg, doen die dat dan niet, ja maar, als u nu bid,
zo van u zit zo dicht bij de troon van God, dat komt veel beter
over. Nou nee, dus. Niet zo bidden. Als je bid, gaat het er niet om,
dat jij ergens staat en dat je ergens gaat bidden. Ik kom uit een
bepaalde kring, bepaald gezelschap, waar het bidden en publiek niet
zo gebruikelijk was. Er waren maar een paar die dat durfden. Die
zaten natuurlijk ook in de kerkenraad. Die baden op bruiloften, op
partijen, ja die hadden iets, je die deden echt hun stukje. Sorry,
hoor. Nee, dat kan heel raar klinken, maar dat was echt zo en dat
werd ook heel serieus opgevat. Die waren dat, dat hadden ze ook en
dat pikte man ook van dit soort mensen. Zijzelf zullen misschien
niet het gevoel gehad hebben, wat wij er nu van hebben, ik wil er
heel voorzichtig mee zijn. Maar bidden is iets van de binnenkamer,
is iets van met Hem alleen zijn. Niet van het podium en merkwaardig
is, dat je dat al in het OT terugvindt. Lees voor jezelf
morgenochtend 2 Koningen 4, het verhaal van de Sunamitische, die
mevrouw, die geen zoon heeft, een zoon krijgt van Elisa, die daar op
bezoek is, die daar een kamer heeft en hoe Elisa daarmee omgaat en
ook
- hoe zij ermee omgaat en hoe ze daar iedere keer de deur dicht
doet. Maar in hetzelfde 2 Koningen 4 staat het verhaal van de
weduwe, die nog 2 jongens heeft, haar man is overleden en die beide
jongens worden tot slavenarbeid gedwongen. Wat hebt u in uw huis?
Allen nog een klein beetje olie. Nou vraag dan lege vaten van je
buren en je burinnen en doe de deur dicht. Geen wonder op het
podium, geen getuigenis op het plein, gewoon heel duidelijk binnen
kamers. Doe de deur dicht. Ook hier. Bidden heeft te maken met je
eigen zielenleven, met jou persoonlijk contact met God,
- met jou omgang met God. Ja, dat is dan een directe misschien,
dat mag best: hoe gaat het in je eigen leven met het gebed? Ik
bedoel, aan tafel gaat het goed, denk ik. Over het algemeen: Here
zegen deze spijze, amen. Dat gaat heel goed. De kinderen zijn wat
lastig, daar komt niet zoveel echt uit, je wilt het ook kort houden.
Bidden in de kerk, ja dat doet de voorganger, de dominee, predikant
of wie dan ook. Maar voor jezelf. Sommigen zitten hier, die hebben
al lang een gebedsleven en die hebben een gebedslijst, maar die
worden ook niet verhoord van wegen de hoeveelheid van hun woorden.
Ook niet. Het is ook niet waar, dat je steeds maar weer moet
herhalen. Daniël, ik las dat vanmorgen voor mezelf, hoorde Gabriël
zeggen: aan het begin van uw smeekbede is uw woord gehoord. En nu
ben ik gekomen. Het heeft even geduurd. Maar dat zat er niet in jou
herhalingen van zetten, dat zat hem in dat eerste woord. Toen kwam
het al over. De Here God hoort en je hoeft het bij Hem geen 10 keer
te zeggen. Ik was laatst in een samenkomst, daar hebben we een lied
geloof ik 10 keer gezongen. Na ja, als je het niet gewend bent is
het irritant, 2 keer, 3 keer gaat nog, 4 keer krijg je het gevoel
van nou nu is het wel genoeg, 5 keer ik wou dat iemand ’s een keer
d’r insprong en zei laten we een ander lied zingen, de stemming moet
komen. Zou het zo gaan met bidden? Om de veelheid van woorden? Nee
dus. Maar de Here wil, dat wij in ons gebed dit wat Hij hier zelf
zegt, aangeeft, gebruiken. Als je dan bid, dan vertel je God ook
niet iets nieuws, want Hij weet het al lang, ook dat is waar. Dus in
die zin hoef je helemaal niets te zeggen, want Hij weet het al. Hij
weet als voordat jij begint, wat jij wilt gaan zeggen, wat je nodig
hebt. Je vertelt ook niet iets nieuws, je stuurt echt geen brief in
de zin van Here God a.u.b. leest u het een keer. Hij heeft het als
gezien. Maar toch, als je dan bid, zeg dan: “Onze Vader, die in de
hemelen zijt.” Dat is nieuw, hoor, voor toen. In Israël is God nooit
als Vader openbaar geworden. Een enkele keer komt het woord vader
voor in die zin, dat God Vader is in het Oude Testament, maar dan is
het altijd als oorsprong van, de verwekker van. Maar nooit in de zin
van een persoonlijke relatie hebben met Vader. Maar als je bidt, zeg
dan Vader. Onze Vader. En u bent in de hemel. Niet de vaders hier op
aarde, maar een Vader in de hemelen. Ik weet dat dat beeld
vertroebeld is door het gedrag van vaders hier op aarde en dat er
ongelofelijke beschadigingen zijn op dat punt, maar toch bedoeld God
heel helder te hebben, dat wij God als Vader mogen aanspreken. De
Here Jezus zegt het zo in Johannes 16: “Ik zeg niet, dat Ik de Vader
voor u vragen zal, want de Vader zelf heeft u lief.” Voor mij was
dat een ommekeer eigenlijk, ik bad toen ik tot bekering kwam alleen
maar tot de Here Jezus, dat hoorde ik ook een beetje in dat
gezelschap waar ik toen was, daar werd altijd tot de Here Jezus
gesproken. En kinderen doen het merkwaardiger wijze ook, bijna
altijd. Goede Herder, Herder, Heer Jezus, niets mis mee. De Here
Jezus is God. Maar de Here Jezus zegt, je mag tot de Vader gaan. Ik
ga niet de Vader voor jou vragen, jij mag rechtstreeks tot de Vader
gaan. De Vader zelf heeft jou lief. Maar de uitdrukking Vader, dat
betekent, dat je in een persoonlijke relatie gekomen bent met God,
die je Vader is. Nu wil ik niet over alle woordjes iets zeggen. “Uw
Naam worde geheiligd”, dat betekend, dat Uw Glorie, Uw Wezen
zichtbaar moge worden. Dat u het sterke verlangen hebt, en in u
bidden uit u dat, dat Gods glorie, Gods grootheid, Gods wezen, de
naam is annex met wie iemand is, - je zult Hem de naam Jezus geven,
Redder van de wereld -, dat Gods glorie, Gods wezen zichtbaar mag
worden en ook eer zal krijgen, geheiligd mag worden. Als u daar een
paar teksten van wild (Numeri 20, Ezechiël 36, dacht ik – ik wil in
de pauze best even zoeken waar ze precies staan) waar dat woord
geheiligd ook gebruikt wordt. Mijn naam is niet geheiligd, zegt de
Here, want er wordt smadelijk over de Here God gesproken. Maar ons
gebed mag zijn, ons verlangen mag zijn in relatie met die Vader, dat
Zijn wezen, dat wat Hij ten diepste is, dat dat ook naar buiten
komt. Dan wordt gezegd, “Uw koninkrijk kome”. We hebben het over het
koninkrijk, Uw koninkrijk moge komen, het mag zo worden en dat is
mijn diep, mijn diep verlangen, dat hier op aarde zichtbaar wordt,
dat de Here Jezus de Koning der koningen is, de Here der heren is en
alles mag, wat mij betreft, wijken voor dat geweldige, dat Hij Heer
is, dat Hij Koning is, dat Hij regeert en dat de aarde vol is van de
kennis des Heren. Dat is je gebed. Dat het daarom gaat. Niet om jou
welvaart, niet om jou carrière, om jou probleem opgelost te zien.
Het moet echt gaan om de Naam van de Vader, dat Zijn wezen alle
ruimte krijgt en zichtbaar wordt en dat Zijn bedoeling, namelijk om
hier op aarde zegen te brengen vanuit Zijn eigen volheid, dat dat
gaat komen. “Uw koninkrijk kome”. En dat is niet hetzelfde als een
beetje omsmeden van zwaarden naar ploegscharen, maar het is zo dat
dan alles, alles buigt voor die Ene. Direct daaraan gekoppeld: “Uw
wil geschiede” en dat is het allermoeilijkste. Je kunt praten wat je
wild, maar als je nu heel eerlijk bent en diep in je hart kijkt, dan
komen er misschien dingen naar boven, die je, ja die je gewoon
moeilijk vindt. Durf je te zeggen: Here Uw wil geschiede? De Here
Jezus zei, ook in Getsemane, maar ook anders: Niet Mijn wil, maar Uw
wil geschiede. Ik ga ervoor Here, dat dat gebeurd, wat U wild. Het
is Mijn spijze, dat Ik de wil doe, van Hem die Mij heeft gezonden.
Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. Zou jij, zouden wij samen
vanavond durven zeggen: Uw wil geschiede? Ja, en dan komt er een
komma en dan schrijven wij het woordje maar of mits, maar is het
meest gebruikelijk en dan gaan we …… zetten, dat durven we nog niet
helemaal invullen, maar diep in ons leeft al iets: ja, maar….Daar
heb je het weer: ja, maar. Ik houd nu wat bijbelstudies over het
boek Job. Ik had er vanochtend een en morgenochtend heb ik er weer
een en woensdagochtend, op de Camping “De Betteld”. Ik ben heel
schoorvoetend begonnen met dat schitterende boek Job, maar je praat
bijna tegen een muur. Kom, kom, kom, je kunt Job toch niet meer van
stal halen, dat is toch passé. Dat is toch een gepasseerd station.
Als Sabeeërs de kudden hebben geroofd en als Chaldeeën de kamelen
hebben mee gejat, durf jij dan te zeggen: de Here heeft genomen?
Durf jij dan te zeggen: Uw wil geschiede? Ja, maar de Here heeft dit
helemaal niet gewild, asjeblieft, daar gaat ie. Nu komen we midden
in de discussie en dat is ons geleerd de laatste jaren, dat: God is
een heel andere God, hoor. Die wil dat helemaal niet. Die wilde
helemaal niet dat die Sabeeërs daar gingen stelen, Die wilde
helemaal de Chaldeeën daar niet hebben om de kamelen mee te jatten.
Zo’n God hebben we toch niet? God is goed. Ja, God is goed en we
zingen dat in koor. Maar om nu te zeggen, dat alle dingen meewerken
ten goede voor hen, die God lief hebben. Ja, dat heeft Paulus
gezegd. Ja, die was ook wat overdone. Voel je hoe snel je bij de
kern van je eigen ziel komt met die ene uitdrukking: “Uw wil
geschiede”? Het is zo verschrikkelijk moeilijk voor jou en voor mij,
om te durven zeggen: Here ga Uw gang. We zingen het wel: breek mij,
neem mij
- en ik geef mijn leven aan U en ik wijd mij aan U en doorgrond
mij en ken mijn en Here ga Uw gang. Maar de Here is net begonnen en
we zeggen oh, maar dat bedoel ik niet, dit is me even te veel van.
Het is echt moeilijk, broeders, zusters, om te durven zeggen: Uw wil
geschiede. Discipelschap betekent, dat je gaat zeggen: Here, als u
zegt dat ik naar links moet, dan ga ik. Ja, dat willen we nog wel,
naar links nog wel, naar rechts nog wel, vooruit nog wel een beetje,
achteruit, maar om nou met Luther te zeggen: Delf vrouw en kinderen
het graf, ik dacht er even aan toen Kees aan het begin de tekst uit
Lucas 14 voorlas, het zogenaamde Lutherlied: Neem geld en goed ons
af, wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken. Het is zo moeilijk
en wij vinden dit ook een beetje overtrokken.
- Wij willen 31 oktober, aanstaande zondag, best nog even
zingen van Luther en even denken aan Luther en we willen ook nog wel
even zingen: Een vaste Burcht is onze God, Toevlucht voor de Zijnen,
dat gaat erin als koek, want dat is zo, maar om dat couplet te
zingen van: Delf vrouw en kinderen het graf, ja dat bedoelen we toch
niet. Maar toen was het letterlijk wel zo, dat ze gesepareerd
werden, gescheiden werden van hun gezinnen en dat gezinnen omkwamen,
dat ze omgebracht werden, soms voor hun ogen, om hen ertoe te
brengen, de Here Jezus dan toch maar op te geven. Ja, en dan zeggen
wij nu tegen elkaar, maar wij leven nu niet in zo’n tijd, want als
wij in zo’n tijd zouden leven, zou de Here ons kracht geven en zou
de Here ons ook bemoedigen, waar hoor, het is echt waar. Maar het
gaat me nu om het principe. “Uw wil geschiede”. U bent de Baas, U
hebt het voor het zeggen, wij willen rücksichtslos volgen wat U gaat
zeggen en dat is moeilijk. Want wij hebben scrupules en wij worden
aangevallen, daar wordt op ons ingepraat, daar wordt op een
gigantische manier een aanval gedaan op ons denken, wij worden onder
en soort scan gelegd en iedereen gaat dwars door ons heen kijken en
probeert erachter te komen, wat onze motieven zijn en probeert ons
op andere gedachten te brengen. “Uw wil geschiede, gelijk in de
hemel als ook op aarde”. Dat betekent, dat er in de hemel toch
gehoorzaamheid is. Psalm 103 zegt, dat er engelen zijn, dienende
geesten zijn, dat er krachten zijn, krachtige helden zijn,
gehoorzaam zijn aan het Woord van God, doende wat God heeft gezegd,
ze gehoorzamen. Het zijn eigenlijk vlammende discipelen. Op een
gigantische manier doen zij, wat God heeft gezegd. Engelen. Ja, in
de hemel, “gelijk in de hemelen”, ja in de hemel is het zo, daar
vliegen ze voor U, Here. U hoeft maar een kik te geven en zij zijn
al in beweging. Maar op aarde, ja daar zijn de engelen niet, daar
zijn wij. En wij zitten in onze luie stoel en we zijn er bijna niet
uit te branden. En we zeggen niet, we houden onze monden dicht. Ja,
maar als ik dat doe, dan krijgt de buurman scrupules, dan begint hij
weer over die heg, die misschien niet helemaal op je eigen erf, maar
misschien ook nog een stukje op zijn erf staat. Sorry, hoor, we
beginnen altijd met foute dingen, weet je wel, en daar worden we
altijd op af gerekend. Ik wil zo graag duidelijk maken, dat wij
discipelen zijn, volgelingen zijn en dat nu het moment is aangekomen
en dat gaat nog een beetje door, dat dat niet alleen maar theorie is
van, oh ja, dat is een soort innerlijke gezindheid, een innerlijke
gesteldheid, maar dat dat nu een beetje dichter bijkomt, dat dat nu
handen en voeten gaat krijgen, dat dat gewoon poppetjes worden, het
wordt gewoon ingekleurd. “Uw wil geschiede”. Dat is moeilijk, het is
niet makkelijk. Zeg nu niet, dat het makkelijk is. Het is wel wat de
Here van je vraagt.
- “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Ik vind, dat een discipel
best mag vragen naar zijn dagelijks brood. Dat bidden wij nog
steeds, terwijl al onze kasten bom en bom vol zitten en onze
diepvrieskasten uitpuilen en als dat niet zo is hebben we nog een
paar dubbeltjes om naar de Super te gaan om wat te kopen. Maar het
is veel moeilijker om dit echt in zijn context te zien. Hier staat
dus iemand die zegt: “Uw wil geschiede”, maar Heer ik heb een
probleem, ik heb een vrouw en ik heb kinderen. Ik wil niet over
mezelf praten. Ik had een hele goede baan en de Here zei, je moet de
baan loslaten. Ik wil het best een keer helemaal vertellen, maar nu
klinkt het een beetje te misschien. Het is een hele oefening
geweest, maar ik zei Heer, ik wil een ding vragen, dat Hennie het
duidelijk heeft, dat het Uw wil is. En ik kan wel roepen, de Here
gaat voorzien en de Here zal voor broodjes en gehaktballen zorgen,
maar als ze dat zelf niet ziet. “Geef ons heden ons dagelijks
brood”. Dat bedoelt de Here hiermee. Als je voor Mij kiest, als je
echt voor Mij gaat, dan mag je dit zeggen. Dan mag je zeggen, Here
een ding wil ik overhouden, een slag om de arm en dat is mijn
dagelijks brood. Dan krijgt het ’n heel andere kleur, hoor. Dan is
het niet meer zo, oh ja, natuurlijk, we danken voor het eten, maar
de tafel staat al vol. “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Nou een
schal met brood, iets van beleg of aardappelen met groente, het
staat er allemaal. “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Ja, wij
bidden dat heel trouw, wij bidden dat zelf op een begraafplaats. Ik
ben niet sarcastisch, maar ik wil gewoon aangeven, hoe dit
formuleergebed een kleur gekregen heeft en wij daar zeggen: “Geef
ons heden ons dagelijks brood”. Nu, het gaat met niet om de term
zelf, maar de Here bedoeld, als wij komen op het punt van: Uw wil
geschiede Here, U doet met mij wat U wilt, maar ik heb een ding en
dat is dit. Ik weet niet, of je weet, dat dit het moeilijkste is
voor een man. Misschien ben je nooit in die omstandigheden geweest,
ik wel hoor. Paulus zegt, ik weet wat het is om honger te hebben.
Wij hebben geen honger gehad, maar we hebben wel lege kasten gekend,
dat er helemaal niets was. Dat er een auto stopt ergens uit het
zuiden van ons land, die alleen maar boodschappen uitdragen. Het
gaat ons heel goed, hoor, dus a.u.b. Ga nu niet denken, dat dit nu
zo is. Maar het is zo frustrerend voor een dienstknecht van God, dat
is zo vernederend bijna, dat je niet voor je eigen gezin kunt
zorgen, althans, dat het er niet is, dat het op een van der manier
dat niet werkt en dat je naar God gaat. Here God, geef ons heden ons
dagelijks brood en
- de Here doet het. Dat bedoelt de Here ermee, ook in jou leven.
Als jij consequent kiest voor de Here Jezus, een discipel van Hem
wilt zijn, dan gaat Hij ervoor zorgen. Dat bedoelt Hij. Dan krijgt
zo’n tekst, ook dit regeltje, een geweldige lading. Die lading, die
wil ik je niet onthouden.
- “En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze
schuldenaren.” Nu, dat zal best moeilijk zijn. Maar het grote
probleem in het christelijke getuigenis van vandaag is dit: Hier
staat niet, dat onze schulden niet vergeven zijn. Ik zei zopas, als
je gelooft in de Here Jezus, dan zijn je zonden vergeven. Dan is je
schuld uitgedelgd. Je bent een kind van God. God ziet je in Christus
aan. Je bent een nieuwe schepping. Vanaf het moment, dat je tot
geloof komt, ben je een nieuwe schepping. Absoluut en
onvoorwaardelijk. Daar zit geen enkele voorwaarde aan van: en nu
moet
- je goed je best doen en als je dit doet, dan zal Ik eens kijken
wat ik voor je kan doen, of zo. Niets, geen enkele voorwaarde. En nu
staat hier, vergeef ons onze schulden. De Here God heeft dat
vergeven, maar waarom staat dat nu hier? En waarom wordt dat
gekoppeld aan: gelijk ook wij vergeven? Je gaat nu je even als een
soldaat aan het front zien en je bent daar in het gelid gesteld.
Here bij mij zit zo vaak iets, wat niet helemaal klopt. Ik ben
eigenlijk niet bruikbaar. Je weet zelf, hoe een zonde je volledig
kan blokkeren. Hoe een zonde je monddood maakt. “Vergeef ons onze
schulden.” Maar Heer ik wil ook die ander vergeven. Het probleem in
christelijk getuigenis is, dat we de ander niet vergeven. En dat
begint al, ik weet dat ik tegen schenen aan schop, ik ken je niet
allemaal, maar je bent beschadigd vroeger, je bent misschien wel
misbruikt, je bent flink gedeukt thuis, de vaders hebben niet altijd
een even schitterend beeld laten zien van onze hemelse Vader. Kun je
het vergeven? En ik weet dat, ja maar…..Ik kom bij hulpverlening
instanties en dan zeg ik dit, ik probeer het heel voorzichtig in de
richting van vergeving te duwen, ze geven niet thuis. Nee,
Barbaartje moet hangen, pas als er
een veroordeling komt, pas als de politie er aan de pas is gekomen,
als de rechter een uitspraak heeft gedaan, als dat gebeurd is, ja
dan kan ik vergeven. Maar dan heeft ie wel zijn vet gekregen. Ons
probleem is, dat we niet kunnen vergeven. Ons probleem is in de
gemeente, in alle conflicten in de gemeentes, dat we niet kunnen
vergeven. Dat kunnen we niet en de hele wereld om ons heen
schreeuwt, dat dat ook niet mag. Ja, dat mag wel, als hij zijn straf
gehad heeft. Dat is net iets, was God niet bedoeld. Nou gaat het mij
er niet om, dat jij nu even je knop om moet zetten en dat jij, bij
wijze van, diegene, die je echt kwaad berokkend heeft nu gaat
vergeven. Het is niet zo makkelijk om naar de chauffeur te gaan, die
met te veel alcohol op achter het stuur gekropen is en je eigen zoon
heeft dood gereden, om dan te zeggen, ik vergeef het je. Niet
makkelijk. Het is niet zo makkelijk voor Corrie ten Boom geweest om
naar de beulen te gaan, die haar zuster hebben omgebracht in het
buitenland, in de kampen. Dat is een bekend voorbeeld van haar, om
te zeggen ik vergeef het je. Het is niet makkelijk en soms ben je er
ook niet aan toe. Maar in je hart begint dat proces. In de
binnenkamer begint dat proces. Sommigen kunnen die ander eigenlijk
niet vergeven, want die is er soms niet meer of is onbereikbaar
geworden. Maar in je hart, heel diep van binnen, kun je het wel. In
je binnenkamer, in dat persoonlijke contact met God. Als je
bruikbaar wilt zijn voor de Here Jezus, als je een discipel wilt
zijn voor de Here Jezus, dan moet je het echt overwegen. Vergeef
mij, gelijk ook ik. En als dit niet oplost in je denken, nou ja, dan
stopt het. Dan stopt het echt. Dan kom je geen millimeter verder.
Als ik mijn vader, mijn moeder, mijn familie niet vergeef, met de
liefde van God niet naar hen kan kijken, dan kan ik praten wat ik
wil, dan is er geen groei, dan is er geen inzetbaarheid, dan is er
geen vergeving. Als de Here Jezus aan het kruis bidt: Vader vergeef
het hen, want zij weten niet wat ze doen, dan weet u precies wat ik
ga zeggen. Vergeef het hun, Vader. En dat waren Zijn eigen beulen.
Dat waren de mensen, die Hem niet wilden. En die Hem echt onderuit
schoffelden. Jij en ik zullen als discipelen van de Here Jezus
moeten durven zeggen: vergeef het hun. In de gemeente is een
broeder, die door zijn houding en door zijn gedrag laat zien, dat
hij de baas wil zijn, hanengedrag noemen we dat en hij sleept een
aantal mee, dat zijn zijn passiepanden, zijn omgeving, en anderen
komen daar in opstand, het wordt een bonje. Heel vaak, hoor. Ik was
gisteren annex met 2 gemeenten, waar precies hetzelfde probleem zit,
precies dezelfde situatie, die ik nu schets. Nou ja, dan krijg je
gedoe, dan krijg je gesprekken, dan zijn de oudsten uren, dagen,
maanden zoet met het invullen van en dat is niet niets. De gezinnen
gaan weg, komen niet meer naar de kerk, komen niet meer in de
diensten en zoeken hun heil ergens anders. Wat moet je nou zeggen?
“Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze
schuldenaren.” Ja, maar hij zegt nooit….Heb jij daar een boodschap
aan? Zou de Here God niet met hem, met haar ook aan zijn doel komen?
Kun je dat niet los laten? Als jij die andere over de streep wilt
trekken, dan kun je wachten tot, na ja, nog een aantal jaren. Maar
dat redt je misschien toch nooit. Het karakter van iemand kun je ook
niet ombuigen en karakter spelen een hele heldere rol. Kun je het
los laten? Kun je zeggen ik vergeef het? En niet zeggen ik vergeef
het en ik graaf het daarna weer op. Als God in Micha zegt, dat de
zonden achter Zijn rug geworpen en in de diepte van de zee liggen,
dan moet je niet gaan hengelen daar. Dat is een heel oud
aanzichtkaartje, vroeger al een keer verschenen, -verboden te
vissen-, weet je dat boordje, dat daar staat. Hengel die troep niet
weer naar boven, stop daarmee, laat het daar dan, vergeef het hun.
Laat dat los. En de wroeting van zondige dingen, van anderen, die je
iets hebben aangedaan, familieleden, die je hebben bezeerd, mensen
in de kerk, die je hebben beschadigd, de buren, de collega’s die
misschien met ellebogenwerk over je heen zijn gekomen, die de plek
hebben gepakt, die jij had moeten hebben, ik weet niet………Vergeef,
gelijk ook ik. Als we niet deze hobbel nemen, dan denk ik, dat we
blijven hangen. Ik wil het behoorlijk onderstrepen, maar dat voel je
nu wel.
- “En leidt ons niet in verzoeking”. Here breng ons niet in
situaties, waardoor ik het moeilijk heb in keuzes. Heeft het te
maken met zondige dingen? Ja. Heeft het ook met aardse dingen te
maken? Ook ja. Dat betekend, dat er in vele gevallen een
mogelijkheid is, om van het pad af te geraken en ik wil daar niet zo
graag hen. “Verlos ons van de boze”. Here, U weet dat ik het niet
kan, U weet dat ik zwak ben, U weet dat ik misschien wel een
verkeerde beslissing neem. “Leid ons niet in verzoeking en verlos
ons van de boze”.
- Nou, het slot mag er bij zijn, mag er niet bij zijn: “Want Uwer
is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in
eeuwigheid”. Het is goed. Je mag de Here prijzen, je mag de Here
groot maken, je mag Hem alle eer gaan geven, het is goed.
- En dan nog een keer: als jij de mensen hun overtreding vergeeft,
zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Dan ben je bruikbaar, dan ben
je een discipel. Maar als jij het zelf niet kunt, kun je de anderen
ook niet helpen. Dit is een behoorlijke, dit is een vrij felle. Ik
heb over vasten nog niets gezegd, misschien kan het na de pauze,
maar ik wil toch even stoppen denk ik, maar deze dingen zijn zo
essentieel, dat we er eigenlijk niet omheen kunnen. Ik stel voor dat
we nu samen naar de Here gaan en dat we stil worden voor God en dat
we allemaal durven zeggen: Uw wil geschiede en als dat niet zo is,
schreeuw je moeite maar naar de Here God uit, stiekem, dat hoef ik
niet te horen, en zeg het maar. Maar ook dat van vergeven, van
elkaar vergeven. Want als dat niet doorbreekt, als dat niet
doordringt, dan zullen we ook in discipelschap geen stapje verder
komen. Zullen we stil worden voor de Here.
- Gebed:
- Oh Heilige Geest, zingen we in een lied, kom tot U heerschappij,
schenk een herleving en begin bij mij. Kom tot U doel met een ieder
van ons. Vader U weet hoe moeilijk wij het hebben met de term, de
uitdrukking: Uw wil geschiede. Voor de Here Jezus betekende dat een
doornenkroon, geseling, gigantische mishandeling, veroordeling,
onterechte kruisiging, meest gruwelijke. Hij deed het. Hier ben ik.
Uw wil geschiede. En wij hebben als problemen, als ons iemand op de
tenen gaat staan en we krijgen niet eens een blauwe teen ervan.
Vader, we hebben het moeilijk om elkaar te vergeven. We hebben zo
onze vriendjes, maar die ander, waar we stuk op lopen, waar we
misschien iedere keer wel iets van ervaren als schuurpapier, wat
helemaal niet leuk is. Vader, we willen ons voor U stellen en wilt U
door Uw Heilige Geest zo krachtig doorwerken, dat de Here Jezus
zichtbaar wordt. We danken U voor een stukje uit Matteüs 6. Amen.
- Nu gaan we nog iets over dat vasten zeggen.
- Ik wil eerst een paar teksten met u lezen nog extra, Jesaja 58,
maar die kent u waarschijnlijk al lang, want die zijn vaker
geciteerd, vermoed ik. Jesaja 58:6 e.v.: “6 Is
dit niet het vasten dat Ik verkies: de boeien der goddeloosheid los
te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te
laten en elk juk te verbreken? 7 Is het
niet, dat gij voor de hongerige uw brood breekt en arme zwervelingen
in uw huis brengt, ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem bekleedt
en u niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed? 8 Dan
zal uw licht doorbreken als de dageraad en uw wond zich spoedig
sluiten; uw heil zal voor u uit gaan, de heerlijkheid des HEREN zal
uw achterhoede zijn. 9 Als gij dan roept,
zal de HERE antwoorden; als gij om hulp roept, zal Hij zeggen: Hier
ben Ik. Wanneer
- gij uit uw midden het juk wegdoet, het wijzen met de vinger en
het spreken van boosheid nalaat, 10 wanneer
gij de hongerige schenkt wat gij zelf begeert en de verdrukten
verzadigt, dan zal in de duisternis uw licht opgaan en uw donkerheid
zal zijn als de middag. 11 En de HERE zal u
voortdurend leiden, u in dorre streken verzadigen en uw gebeente
krachtig maken; dan zult gij zijn als een besproeide hof en als een
bron, waarvan het water niet teleurstelt. 12 En
de uwen zullen de overoude puinhopen herbouwen, de grondvesten van
vorige geslachten zult gij herstellen, en men zal u noemen:
Hersteller van bressen, Herbouwer van straten.” Het begon met vers
6: “Is dit niet het vasten dat ik verkies:” -dubbele punt- en dan
volgt die hele opsomming. Geen woord over niet eten, niets. Vasten
krijgt in Jesaja 58 een hele andere kleur.
- Nog een tekst uit 1 Kor 7:3 “3 De man
kome jegens de vrouw zijn (echtelijke) verplichtingen na en evenzo
de vrouw jegens haar man. 4 De vrouw heeft
niet zelf over haar lichaam te beschikken, doch haar man; en
eveneens heeft de man niet zelf over zijn lichaam te beschikken,
doch zijn vrouw. 5 Onthoudt dat elkander
niet, tenzij met onderling goedvinden (en) voor een bepaalde tijd,
om u te wijden aan het gebed, maar om daarna weder samen te komen,
opdat niet de satan u verzoeke wegens [uw] gemis aan zelfbeheersing.
6 Dit zeg ik om u tegemoet te komen, niet om
u te bevelen. 7 Ik zou wel willen, dat alle
mensen waren, zoals ikzelf. Doch iedereen heeft van God zijn
bijzondere gave, de een deze, de ander die.” Paulus noemt het
ongetrouwd zijn in 1 Kor 7 een bijzondere genadegave en hij zegt,
niet iedereen heeft diezelfde genadegave. Moet je ook heel praktisch
mee durven omgaan. Maar waar het me nu om ging is, dat in 1 Kor 7
een vorm van vasten geïntroduceerd wordt, die wij op het eerste
gezicht niet als vasten zouden hebben aangemerkt en toch is dat zo.
Om u aan het gebed te wijden. En als we nu terugkeren naar Matteüs
6, waar we nu mee bezig zijn, dan staat daar: “16 En
wanneer gij vast, toont dan niet, zoals de huichelaars, een somber
gelaat; want zij maken hun aangezicht ontoonbaar, om zich aan de
mensen te vertonen, wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, zij
hebben hun loon reeds. 17 Maar
gij, zalf uw hoofd, als gij vast, en was uw gelaat,
18 om u niet bij uw vasten aan de
mensen te vertonen, maar aan uw Vader, die in het verborgene is; en
uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.” Vasten
betekent niet zoveel dagen niet eten en dan breekt het licht door.
Vasten betekent niet je allerlei dingen ontzeggen en dan gaat de
Heer God doen. Er zijn boekjes verschenen over 40 dagen vasten en
daar wordt het eigenlijk als ‘Big Brother’ nu, hoor, maar, vertaald
van de 1ste dag gebeurde er dit, de 2de dag, 3de
dag, 10de dag, 20ste dag, 30ste dag
en 40ste en toen …. dan heb je een soort climax. Nou, dat
is het niet. Je komt niet, laat ik maar zeggen, met alle camera’s
op, te zitten. Neen, gewoon wassen, gewoon je haren opmaken, gewoon
wat make-up gebruiken, je gewoon scheren, je gewoon kleden, maar
innerlijk, van binnen moet er iets gebeuren. Wat gebeurt er dan van
binnen? Dat je je niet laat voorstaan op wat jij nodig vindt, wat
jij per se moet en waar je misschien ook wel aanspraak op kunt
maken, maar dat dat echt naar het zoveelste plan gaat, dat je durft
te zeggen: mijn huis, ja het is mijn huis, maar arme zwervelingen in
mijn huis brengen, ja… Jesaja 58, wij lazen dat. Nou wie doet dat
dan? Mijn geestelijke moeder, daar wil ik nog een keer een boek over
schrijven, dat heb ik me voorgenomen, maar misschien kom ik er nooit
aan toe. Zij is al bij de Heer, dus dat boek wordt in de hemel al
gedicteerd, maar zij woonde in een heel klein huisje, echt zo’n piep
huisje, ik weet niet of je het platte land een beetje kent waar hele
grote boerderijen zijn en waar van die hele kleine huisjes bij
staan, waar dan de arbeider woonde. Nou ja, je kon niet rechtop
staan, zeker niet als je 1 meter 90 was, want …., maar zij woonde in
zo’n klein huisje. Geen geasfalteerde weg en zo, het was allemaal
heel primitief. En die boerderijen, die waren zo gigantisch groot en
daar kwamen dan de schuren nog bij en hooiopslag en weet ik veel
allemaal. Maar zwervelingen? Zwervers, die waren er in mijn jeugd,
ik kende een hele rij. Nu zijn ze ook, alleen zij zijn niet op het
platte land, ze zijn ergens in Amsterdam of Rotterdam, dat is een
beetje verschil, he? Ze zijn ook in Veenendaal. Een van de eerste
avonden hadden we hier een getuigenis van een mevrouw daar in dat
bosje, weet je wel, iemand heeft dat gedeeld met ons, toen. Maar wie
neemt ze nou in huis? Mijn geestelijke moeder deed dat wel. Die
grote boerderijen, die bulkten van de ruimte, maar daar was geen
plaats voor een zwerveling, ook niet in de hooimijt. Maar boven de
achterdeur, zei tante Marie tegen Harm, daar kan best een soort
kribje komen van 1 meter 70 bij 65 of zo, zo’n klein dingetje, dan
kan ie daar toch in slapen en zo gebeurde het. Zo’n zak vol met
stro, weet je wel, zo’n strobed erin, het lag misschien niet zo
super, het was geen boxspring, maar het was…, je moest er wel
inspringen, dat was het wel zo. Maar ze sliepen daar wel. Ik kan een
heel verhaal vertellen over die tante Marie, ik kan je vertellen,
dat ik door haar de Here Jezus heb leren kennen en ik kan je ook
vertellen dat ik meer zegen heb ontvangen van dat stel dan van wie
dan ook. Die hebben gevast. Die ging kraamhulp spelen in de tijd,
dat er weinig te eten viel. Dan zei ze: daar hebben kinderen…. Moeke
heeft zo’n last van de maag en het stukje spek ging in een heel
klein zakje en dat nam ze mee naar die kraamvrouw, want die had
helemaal niets. Zij had geen last van haar maag. Zo heeft ze alles
gedeeld, dat is vasten. Dat is precies wat met vasten bedoeld wordt.
En dat kan ik heel lang doortrekken, dit verhaal, maar zij heeft
haar eigen geneugten, haar eigen ruimte, haar eigen, ja waar ze zelf
een claim op zou kunnen leggen, wat van haar zelf was, waarvan ze
had mogen genieten, los gelaten. Nou, dat is vasten. Als daar eten
bij komt, o.k., maar het is net primair eten. Jesaja 58 maakt heel
helder, dat het vasten ook is: het wijzen met de vinger nalaten en
je niet onttrekken aan je eigen vlees en bloed. Nou voor mij was dat
best een bittere pil. Mijn vader en moeder wilden niet luisteren
naar mijn nieuw verworven inzichten. Ik heb geprobeerd ze te
bekeren, nou dat lukte van geen meter en ze hebben dat geweten en ik
heb het ook geweten op den duur. Dan ben je geneigd om te zeggen,
nou zoek het dan zelf maar uit, als jullie niet naar de Here willen
luisteren. Weet je wel, je bent zo fanatiek en zo fel – deur dicht.
Nou gelukkig is dat net goed gegaan. De deur is open gebleven, het
contactuele is gebleven en zij hebben zich uiteindelijk wel bekeerd
en misschien waren ze als bekeerd, maar mijn vader heeft dat
waarschijnlijk later meegemaakt, waar we dan ook nog bij mochten
zijn. Ik wil alleen maar zeggen, ik onttrok me aan mijn eigen vlees
en bloed. Ik moet mijn uiterste best doen, om mijn eigen familie op
te zoeken, nu. Ik heb jaren geen contact gehad, formeel wel, met
mijn zussen en broer en ik moet nog steeds de eerste stap doen en ik
zeg tegen Hennie, we moeten ons niet onttrekken, we moeten blijven
gaan, we moeten blijven komen. Kan ik altijd preken? Misschien wel
nooit, maar misschien ook wel, het lukt al een beetje. Maar ik wil
zo graag duidelijk maken, dat je je iets moet ontzeggen. Dan maar
een keer niet naar het avonturenpark in Hellendoorn, waar ik elke
week kom, dat snap je best, maar bij wijze van. Ik ben er een keer
geweest en heb ik het ook wel gezien. Maar ik wil zo graag duidelijk
maken, vasten is niet alleen gekoppeld aan eten, dat is niet waar. 1
Kor 7, een heel helder voorbeeld, hoor, maar ook Jesaja 58. Vasten,
en dat is ook niet om nu eens even te tonen hoe vroom je bent, ja ik
vast, ja dat zei die eh, ik vast zoveel dagen per jaar, zoveel dagen
in de week of zoveel dit en het vasten wat ingekleurd werd door de
Rooms-katholieke kerk in de Middeleeuwen, dat was dat je op vrijdag
geen vlees mocht eten. De visboer kwam zelf bij ons in dat kleine
dorpje in Schildwolde, moet je nagaan, voor die 3 katholieken …. Met
andere worden, dat maakt toch niets uit, dat is toch niet het vasten
wat God bedoeld, i.p.v. vlees dan maar vis eten voor een keer. Ik
wil zo graag helder hebben, dat vasten te maken heeft met niet jou
rechten, niet jou verlangens, niet jou geneugten, niet jou
bevrediging, ik wil dit woord toch zeggen, op de bovenste plank
leggen, maar de zaak van de Heer en dat zou best eens een keer heel
anders kunnen lopen dan jij vermoedt. Het is niet makkelijk om je
eigen programma in de war te laten schoppen door iemand, die zomaar
op de stoep komt, die er zomaar is. Dat is toch vasten. Ik zeg niet
dat ik het daar makkelijk mee heb, ik heb ook wel eens een beetje
gemopperd, stiekem. Dan kun je aan de buitenkant nog wel een beetje
“American smile” en gaan zeggen, oh ja, de Here, wees welkom of zo.
Maar ondertussen loop je met kromme tenen en kun je het eigenlijk
niet uitstaan, dat iemand zo brutaal is, tussen aanhalingstekens,
dat hij je eigen programma, je eigen agenda gewoon in de war schopt.
En of dat nu heeft te maken met het niet kijken naar een
voetbalwedstrijd, dat zou ook kunnen, je hebt het je zo voorgenomen
om afgelopen donderdag Ajax te zien tegen de club uit Haifa en dan
komt er bezoek en dan lukt het niet. Dat komt kennelijk over hier,
maar bij wijze van. Het zijn van die hele stomme dingen waarvan je
later zegt: het is toch ook van de gekke, dat zoiets gebeurt. Nu, u
vult in.
- Ik heb nu drie dingen gezegd, ik heb het gehad over het geven,
het bidden en het niet accepteren of het niet aannemen van dingen,
die je al hebt, waar je al recht op hebt.
-
|
-
|