| |
Lezen: Joh.
9:1-12; 33-30
Opnieuw een hele
bekende geschiedenis uit het Johannes-evangelie. Vaak verteld voor de
kinderen, voor de volwassenen. Een geschiedenis die misschien wel iedereen
heeft aangesproken omdat iedereen toch wel een stuk herkenning heeft
in deze man die daar zit te bedelen. Geen zicht heeft, ik heb het nu
wat anders gezegd, en ook geen zegen kent. Alleen maar afhankelijk is
van wat anderen geven. En hij die daar zo zit krijgt een ontmoeting
met de Here Jezus. Wat er dan gebeurt, dat weet u. Hoe de farizeeën
daarop reageren en hoe ze zijn ouders ter verantwoording roepen. En
hoe die oude dan zeggen: "Nou ja, hij is onze zoon, maar hoe die
echt beter geworden is, ik weet het niet. Vraag het hem zelf, hij heeft
zijn jaren." U kent al die teksten.
Joh. 9, één van die prachtige geschiedenissen waar de
Here Jezus een enorm wonder verricht, maar met een bedoeling. En daar
gaat het ons om in deze avonden. Niet alleen om de geschiedenis nog
een keer na te vertellen, maar om de profetische lijn die in deze geschiedenis
ligt te ontdekken. We hebben misschien nog vastgehouden wat hieraan
vooraf ging, al die hoofdstukken. Zodat ze misschien een beetje levendig
zijn voor ons. En dat we het idee gekregen hebben van: Ja, daar is toch
meer aan de hand in dat Johannes-evangelie dan het opsommen van een
verhaal. Er is een grotere diepte te vinden in deze geschiedenissen.
Die diepte is er ook vanavond.
We ontdekten in hoofdst. 8, dat in die overspelige vrouw een beeld te
vinden is van Israël die in relatie tot God, in de bijzondere verbintenis
naar God toe, vrouw van God wordt immers Israël genoemd, dat ze
een andere weg gekozen heeft. Ze heeft andere minnaars gekozen. Dat
heeft Israël ook gedaan. En dat is iedere keer het verwijt in de
bijbel als Israël gezondigd heeft en andere goden is gaan dienen.
De goden van die en van die en van daar. Dat de Here zegt: "Dat
is een overspelig handelen. U bent overspelig andere goden nagelopen."
Dus overspel in de bijbel, is natuurlijk ook in letterlijke zin overspel,
maar het is ook in figuurlijke zijn overspel. Namelijk als je een andere
god kiest, als je ophoudt alleen te houden van de Here Jezus, of van
onze God, dan wordt het ook overspel genoemd. We zagen ook in de man
die helemaal kreupel was, die helemaal niet kon. We zagen een man die
totaal verlamd was. Kortom, we hebben al die types al gezien, Israël
eigenlijk uitgebeeld. En nu krijg je een nieuwe uitbeelding, een nieuw
type. En dat is iemand die helemaal blind is. Ook zo´n uitbeelding.
Totaal geen zicht meer en volstrekt afhankelijk van wat anderen geven.
Nou, ik vind het eigenlijk niet moeilijk om hier in hoofdst. 9 een beeld
te zien van Israël vandaag de dag. Het zicht totaal kwijt, met
alle respect. En u weet intussen dat ik van dat volk houd. Dat het me
niet gaat om een schop, om een natrap of zo. Dat is niet zo. Maar ze
zien het niet. Ik heb zo vaak gevraagd, daar ook, maar ook elders, als
je mensen ontmoet: Wat zou dan de oplossing zijn in de hele problematiek
van vandaag. Niemand weet het. En dat zeggen ze ook ronduit: "Niemand
heeft een oplossing. We weten het echt niet." Het is zo complex
geworden dat niemand weet hoe dit moet daar. Ze hebben geen zicht. En
ze zijn volstrekt afhankelijk van anderen. Ze zitten te bedelen. Of
dat nu de gunst van Amerika is, of de gunst van Europa is, of misschien
wel de gunst van de Palestijnse is, die nu net gekozen is. Ze zitten
te hengelen naar wat, ja naar wat ondersteuning. Ik hoop dat u het beeld
ziet, dat dit helder is. Want al die dingen die we vonden in Joh. 1
t/m dit moment, maar dat gaat nog een poosje door, hebben allemaal te
maken met een profetisch vergezicht. Nog een keer, wat toen daar gebeurde
is gewoon letterlijk zo geweest. Daar twijfel ik geen seconde aan, is
echt zo geweest. Daar was toen een man. Die werd er elke dag neergezet.
Zoals uit Hand. 3 blijkt bijvoorbeeld, dat er een man zat te bedelen,
daar bij die Schone Poort. Elke dag werd hij daar neergezet. Hier: Elke
dag zit hij daar. En al die bedelaars hebben allemaal hun eigen plekje.
Nu nog steeds. Je ziet het. Dus toen was dat zo. En die man was blind
en die man was volstrekt afhankelijk. het instituut Barthimeus Sonneheerdt
of wat ook, bestond toen niet. U begrijpt Wat ik daarmee zeggen wil.
Ze waren afhankelijk van wat mensen daar gewoon gaven aan donaties.
En verdere hulpverlening bestond niet. En in Israël gold de algemene
gedachte dat dat dan wel een gevolg zou zijn geweest van. Dat was ook
al zo in Joh. 5 bijvoorbeeld, waar die man die 38 jaar ziek is ook ligt.
Schuld, van die, van dat. Het is precies als vandaag als er in Zuidoost
Azië een ramp is dan beginnen we gelijk over de schuldvraag. Nou,
het zal wel de schuld van de jeugd zijn geweest, want dat is me daar
een zooitje. Of: het is de schuld van daar en daar of van die en die
geweest. En we gaan helemaal voorbij aan dat wat er in zonde directe
omgeving gebeurt. Net zo veel frustratie, net zoveel moeite. En zoals
Jan net schetste in zijn inleiding. In 1914 was hete kennelijk hier.
En wiens schuld, nou daar gaan we heel makkelijk aan voorbij. Dat was
dan de schuld van de Duitsers. Of de schuld van
Ja, dat
is natuurlijk simpel. Opnieuw, daar die vraag: Wiens schuld is het.
Is het door hemzelf, heeft hij gezondigd. of hebben zijn ouders dat
gedaan. Nou, de Here Jezus zegt: "Nee, het is niet hij die gezondigd
heeft. Het is ook niet zo dat de ouders gezondigd hebben. het is opdat
de werken Gods openbaar zullen worden." Dus kennelijk met een bedoeling.
De Here Jezus wilde in hoofdst. 2 al Zijn heerlijkheid openbaren, en
in Joh. 3 en 4 en 5 en 6 en 7 en 8, en in 9 nog een keer. Hij wil nog
een keer laten zien wie Hij is. En het volledig openbaar krijgen van
de glorie van onze Here Jezus, dat komt eigenlijk nog. Voor u en mij
mag dat nu al werkelijkheid zijn. Voor de gelovigen mag het nu zo zijn
dat je zegt: Ik geniet van de Here Jezus, ik verlang naar de Here Jezus,
ik mag toch iets zien van de Here Jezus. Niemand zal zeggen dat hij
de Here Jezus volledig kent, helemaal doorziet. Dat bestaat niet. Er
komt een moment dat we kennen zoals we gekend zijn. Dat is nu nog niet
zo. Maar ook nu zo'n stukje tekst, zo'n gebeurtenis die we misschien
helemaal kennen, die we vaak hebben gelezen, aan tafel, of waar ook,
met een enorme reikwijdte.
De Here Jezus, Hij ontmoet, Hij komt daar en Hij gaat handelen. Bedoeld
is dit allemaal, voor de gelovigen. Voor alle helderheid, nog een keer,
voor de gelovigen. Voor mensen die de Here Jezus kennen als hun Heiland,
als hun Verlosser. Niet zomaar een discussiestuk. Niet van smijt het
maar in de groep en praat er maar over. Dat is niet zo. Dat wordt heel
vaak gedaan. Iedere keer merk je, hoor je, dat mensen dan mogen zeggen
wat ze daar van vinden, terwijl er niet over is nagedacht. En je vraagt
je af of het wel gelovigen zijn die dan gaan reageren. Bedoeld voor
de gelovigen. Voor iemand die de Here Jezus kent en de Heilige Geest
in zich heeft, waardoor hij, dat wat de Heilige Geest heeft gedaan,
ook kan snappen. De Auteur zit in jezelf. Als je een boek hebt, geschreven
door die en die, en je gaat vertellen: Ja, de schrijver bedoelt dat
en de schrijver bedoelt dat en de schrijver bedoelt dat, en die schrijver
zou hier in de zaal zitten, dan zouden we geneigd zijn: Nou, Dato, hou
je mond. Als ik dat zou zeggen. laat die schrijver zelf
.. Wilt
u het alstublieft zelf eens even zeggen. Nou, zo. De schrijver woont
in je. In jou. En dat betekent dat je ook na vanavond naar huis mag
gaan en ook nu al mag zitten op je stoel en zeggen: "Als de Heilige
Geest de Auteur is, dan zal de Heilige Geest het ook duidelijk maken.
Dan zal Hij ook mij bevestiging geven. Dan zal Hij instemmen. Dan zal
Hij duidelijk maken of die dingen zo zijn." Dat kan, en dat mag,
dat moet zelfs. Gelovigen, gelovigen hebben dit prachtige evangelie
waarin de Here Jezus zo prachtig uitgeschilderd wordt in hun handen,
en mogen genieten van deze beelden. En de Here God wil je verder zegenen,
wil je verder heel bijzonder nabij zijn.
En nu komt het handelen van de Here Jezus. Hij stopt, kijkt, ziet, merkt
op. Wist Hij ook allemaal al. En dan maakt Hij slijk. Speeksel op de
grond, en daar maakt Hij slijk van. Nou, je kunt van alles doen, maar
als jij van stof van de vloer, stof van de aarde slijk wilt maken, dan
moet je daar wel voor gaan bukken. Dat dus sowieso. Natuurlijk vraagt
iedereen zich af: Waarom, waarom zo. Had de Here dat niet anders gekund.
Ja, ja, wis en waarachtig. Ik las net nog, zittend op een stoel, het
verhaal van Barthimeus, weer je wel, de zoon van Thimeus. Wat wilt u,
die is ook blind. Wat wilt u dat Ik u ga doen. Dat ik ziende mag worden.
Wordt ziende. Nou, gelijk klaar. En een ander verhaal uit de bijbel:
De Here Jezus doet een wonder. Zie je al iets. Ja, ik zie de mensen
wandelen als bomen. Nou, nog een wonder en hij ziet het helemaal helder.
In twee etappes. Is dat onmacht op dat moment. Is dit hier onmacht.
Is dit zo van ja, dit moet langs deze weg. Nee, de Here heeft vele blinden
de ogen mogen openen. En meestal ging het direct, gewoon door een woord.
Zo was Hij. Hij kan het door een woord. En dat gebeurde ook vaak. En
toch ging het ook wel een anders. In twee etappes bijvoorbeeld. Of,
zoals hier, op deze wijze. Conclusie, als het hier, in dit stuk van
Joh. 9 op deze wijze gebeurt, heeft de Here daar kennelijk een bedoeling
mee. Daar kun je toch van uit gaan. Ik hoop dat u daarvan uit gaat.
Dat u heel eenvoudig het woord, uw bijbeltje leest en dat u durft te
zeggen: "Here God, als u het zo doet zoals het hier omschreven
is, ja, dan bedoelt u daar iets mee, want daar deed U het heel anders.
En daar deed U het anders. Juist omdat het anders gebeurt, daar en daar
en daar, hebt U daar kennelijk een plan mee gehad." Nou, dat is
ook zo. Ik probeer het.
In Num. 5, OT, misschien wilt u het even opzoeken. Num. 5:11: De Here
nu sprak tot Mozes: "Spreek tot de Israëlieten en zeg tot
hen: Indien iemands vrouw zich misgaan zal hebben en hem ontrouw zal
zijn geworden en een ander met haar geslachtsgemeenschap zal hebben
gehad zonder dat het aan haar man bekend werd, daar het verborgen bleef,
dat ze zich verontreinigd had, en er geen getuigen tegen haar was, en
zij niet betrapt werd. En wanneer dan de geest der jaloersheid over
hem komt zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw terwijl
zij zich verontreinigd heeft, of wanneer de geest der jaloersheid over
hem komt zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw terwijl
zij zich niet verontreinigd heeft, dan zal die man zijn vrouw tot de
priester brengen met een offergave voor haar van een tiende efa gerstemeel
waarover hij geen olie gegoten heeft en waaraan hij geen wierook toegevoegd
heeft, omdat het een spijsoffer der jaloersheid is, een herinneringsoffer,
dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt. Dan zal de priester haar
doen naderen en voor het aangezicht des Heren stellen. En de priester"
(nu moet u opletten) "zal heilig water nemen in een aarden vat.
En de priester zal van het stof dat op de vloer van de tabernakel ligt
nemen en aan het water toevoegen." (Dus ook beide elementen, stof
en water aan elkaar gevoegd, bij elkaar gekomen.) "Heeft de priester
de vrouw voor het aangezicht des Heren gesteld ,dan zal hij het hoofdhaar
van de vrouw losmaken en op haar handpalmen het herinneringsoffer, het
spijsoffer van de jaloersheid leggen. Terwijl in de hand van de priester
zal zijn dat bittere water" (dus dat is dus die slijk) "dat
de vloek brengt. Dan zal de priester haar onder ede stellen en tot de
vrouw zeggen: "Indien geen man met u gemeenschap heeft gehad en
indien gij geen onreinheid begaan hebt terwijl gij uw man toebehoordet,
blijf dan ongestraft van het bittere water dat de vloek brengt. Maar
indien gij u, terwijl gij uw man toebehoorde, misgaan en u verontreinigd
hebt doordat een ander dan uw eigen man met u gemeenschap heeft gehad",
dan zal de priester de vrouw onder een eed van vervloeking stellen en
de priester zal tot de vrouw zeggen, "Stelle de Here u tot een
vervloeking en een verwensing onder uw volk doordat de Here uw heup
doe invallen en uw buik doe opzwellen. Want dit water" (slijk dus)
"dat de vloek brengt, zal in uw binnenste komen om uw buik te doen
opzwellen en uw heup te doen invallen." Daarop zal de vrouw zeggen:
"Amen, amen." En daarna zal de priester die vervloeking op
een blad schrijven en in het bittere water afwassen en hij zal de vrouw
het bittere water dat de vloek brengt te drinken geven." Nu stop
ik met de geschiedenis, dat leest u zelf maar verder. Een hele merkwaardige
geschiedenis. En we vinden dit ook vreemd. We kunnen dat niet meer plaatsen.
Een man die denkt van: Nou, misschien is mijn vrouw wel vreemd gegaan,
dus ik breng mijn vrouw maar met, ik sleep haar met de haren naar de
priester. Nou, dan krijg je een hele toestand daar. Zij met een spijsoffer
op haar handen, beeld haar leven uit. Zij moet dan dat water drinken.
En als het echt zo zou zijn, dan zou haar heup invallen, zou ze dus
kreupel verder gaan, en dan zou haar buik opzwellen. En dat opzwellen
dat zou gebeuren door dat slijk, stof aangemaakt met levend water. Sommigen
zijn hier blij dat dat niet meer gebeurd, en met name zusters. Stel
je voor dat je een jaloerse echtgenoot hebt die iedere keer, misschien
wel 12 keer per jaar of zo, je naar de priester brengt. Dit laat ik
even los, maar het beeld is er. En onmiddellijk daarop begint Num. 6,
dus het volgende hoofdstuk in Numeri met: Is er nog iemand die de Here
dient: De nazireeër Gods. Dat is niet toevallig. Er is helemaal
geen toeval in de bijbel. U hoort het zeggen: "Ik de Here ben een
jaloers God." Een, ander woord daarvoor, een naijverig God. Precies
hetzelfde woord. Zou de Here reden hebben om te twijfelen aan "Zijn
vrouw". Ja. Zou er mogelijk een ander in het spel kunnen zijn geweest.
Ja. Ik heb al hoofdst. 8 gehad, weet u wel. Die vrouw, op overspel betrapt.
Dat was hiervoor. Ik heb het al uitgelegd. Maar nu komt het terug. Toen
werden de namen van de beschuldigers in het stof geschreven. Jer. 17,
u herinnert zich dat nog. In de aarde geschreven. En nu gaat het nog
een stapje verder. Nu gaat de Here Jezus speeksel brengen naar diezelfde
stoftoestand waar die namen in stonden. En Hij maakt van stof een speeksel,
maag ik het zeggen, levend water, stromend water in een aarden vat,
u las het allemaal in Num. 5, heel precies. En daar komt iets bijzonders,
daar komt slijk uit. En deze man wordt nu met slijk bestreken. Nou,
iedereen roept: "Ja, dat verergert het alleen maar. Als je nou
toch wat wilt, dat nooit hè." Ik bedoel, helemaal geen stofdeeltjes
toevoegen aan slechte ogen. Dus het omgekeerde doen alsjeblieft. En
dan heengestuurd worden. En het is alsof de hele last, niet een discussiepunt
mag zijn, maar zichtbaar is. Oh, hij heeft gezondigd, of zijn ouders
hebben da gedaan. "Nee", zegt de Here, "Ik wil het alleen
maar tonen. Ik wil alleen maar een werk Gods openbaar maken. Ik wil
iets bijzonders van de Here God tonen." En je ziet a.h.w. die man
weglopen naar het badwater Siloam, met alles wat maar denkbaar is op
zijn voorhoofd geplakt. Alsof de hele beschuldiging, de totale vervloeking
op hem gelegd is. Dat is het beeld. En de Here, de Enige die harten
doorzoekt, de Enige die kent, de Enige die helemaal doorziet, die stuurt
hem weg. Had dat niet anders gekund. Ja, maar dan was er iets anders
gebeurd. De Here had op afstand, op afstand zelfs, een wonder kunnen
doen. Dat is ook gebeurd. Op grote afstand zelfs. Maar hier wordt iemand
op deze wijze met zijn eigen, met zijn eigen situatie beladen. Maar
er is een oplossing. En dat is Siloam. U herinnert zich ook nog, Joh.
7, nog weer even eerder. Op de grote dag van het feest, van het loofhuttenfeest,
wordt er immers water uitgegoten op het tempelplein, het water uit Siloam
daar uitgegoten. Op die grote dag van het feest begint de Here Jezus
te spreken over het levend water dat uit je binnenste vloeit. Ook dat
is al geweest, Siloam, uitgezonden, gestuurd. En daar is die man. Daar
wordt alle vervloeking weggewassen. Daar is alle schuld verdwenen. Daar
valt het niet kunnen zien weg. En hij komt ziende terug.
Het is heel aangrijpend als je dit verbindt met Num. 5. Je ziet a.h.w.
de Here Jezus daar staan. Op het moment dat ze Hem eigenlijk helemaal
niet willen. In hoofdst. 10, één hoofdstuk verder wordt
Hij uit de tempel gegooid. Willen ze Hem niet, nemen ze stenen op om
Hem te stenigen. Ze willen Hem helemaal niet. Op dat moment vertelt
de Here Jezus deze dingen. Laat de Here Jezus deze dingen zien. En hij
komt ziende terug.
Een andere geschiedenis uit het OT is de geschiedenis van Naäman.
U weet het wel, in 2 Koningen. Naäman komt bij Elisa, en Elisa
zegt tegen hem: "Ga heen en was u in de Jordaan. Doop u 7 maal
in de Jordaan." Nou die man die denkt: Kom kom, die vieze stinksloot.
Wij hebben betere bronnen. De Farpar en Arbana die zijn veel leuker
dan de Jordaan. Zijn onderhorigen zeggen: "Als u nu iets moeilijks
zou moeten doen", zeven keer op uw kop, op uw hoofd, sorry, om
Jericho lopen of zo, "dan had u het waarschijnlijk geprobeerd.
Maar dat vraagt hij niet. Hij vraagt gewoon om 7 keer te baden. Waarom
doet u het niet. Je kunt het toch doen." En hij doet het, en het
wonder geschiedt. Je moet ook geloof hebben. Zie je het hier terug.
Ga heen en was u. Hij kan natuurlijk gedacht hebben: Kom kom kom, mijn
oogarts heeft, sorry hoor, even hedendaags, heeft verboden om: Dit mag
niet en dat mag niet en zus niet en zo niet. En dan met slijk nota bene,
waar iedereen over gelopen heeft. Want die aarde, die stof die daar
ligt is niet, laat ik maar zeggen, schoongespoeld stof. Dat is gewoon
prut de hele wereld, van de hele weg. En hij gaat. Hij gelooft. Alle
redernaties voorbij. Alle argumenten aan zij, aan de kant geschoven:
Hij gelooft, hij gaat. En het wonder gebeurt. Naäman geloofde,
uiteindelijk, en het wonder geschiedde. En zijn vlees was niet meer
melaats. Hij had het vlees van een kleine jongen. Zo staat het daar.
Zo van alsof hij net geboren is. Zonder enige aantasting, niks.
Nu, dat is in onze levens ook zo geweest. Je kunt 100.000 argumenten
bedenken om niet te gaan. Van: Het help toch niks. Eh, en de wetenschap
die zegt A. En de filosoof zegt B. En de psychiater zegt C. Enne, die
kerkelijke stroming, misschien wel godsdienstige stroming die zegt D.
En zo heb je nog wel een paar. En je denkt: Nou, ik kijk wel uit. Kom,
ik zal me even laten inpakken zeker. Tot het moment dat je zegt: "Ik
geloof. Ik doe het." Misschien wel via Mark. 9:25: Ik geloof Here,
kom mijn ongeloof te hulp. Misschien is het wel heel miniem en is er
ook nog wel een spoortje twijfel of zo. Nou, ik geloof, kom mijn ongeloof
te hulp. De Here zegent. Goed, dat is in je eigen leven gebeurd. Dus
je kunt het snappen. Je kunt het snappen: Uit genade zijn wij behouden.
Niet uit onszelf, het is een geschenk van God. En zelfs het geloof is
door God ingewerkt. Ik weet niet waarom Gods gena aan mij ook werd betoond.
Dat is mijn lievelingslied. Maar ik weet in Wie ik geloofd heb. Ik weet
in Wie ik geloofd heb. Het geloof in de Here Jezus. Daarom zingen we
ook met Goede Vrijdag, Pasen, maar ook de Kerst: Ja ik geloof dat Jezus
voor mij stierf. En dat Hij aan het kruis mij eeuwig heil verwierf.
De Here Jezus.
Die man gaat en komt ziende terug. Maar goed, dit is dus persoonlijk
geweest voor hem. Maar ik hoop dat u het beeld, het schilderij, helder
hebt, en dat u eigenlijk heel Israël daar ziet. En dat ze geen
kant op kunnen. Dat ze zich, laat ik maar zeggen, afhankelijk moeten
opstellen. Ze moeten bedelen. Ze moeten de gunst van anderen vragen.
En dat gebeurt ook. Dat is gewoon zo. En dan komt Hij die zegt dat het
niet de schuldvraag waarover Hij wil praten, maar dat Hij toch wil duiden:
Kijk eens, dit is er aan de hand. Ga heen, doe, geloof, Siloam, water,
verfrissing. Wat het kenmerk is van de grote dag van het loofhuttenfeest,
namelijk dat er stromen van levend water zullen zijn, dat is hier zichtbaar.
Dit hele tafereel duidt op Israël in haar bijziendheid. Dat is
veel te lief, in haar blinde toestand. Ze zien helemaal niks. Want als
je de Here Jezus niet ziet, dan zie je niks. Hij is het Licht der wereld.
Als je Hem niet ziet, heb je het Licht dus niet. Dat is gewoon taal
van de bijbel. Ook al heb je hele goeie ogen, als je Hem niet hebt,
dan heb je niks. Dan heb je het Licht der wereld niet. Dan ben je nog:
Eertijds waart gij duisternis. Waren we, wij waren duisternis. We zagen
het niet. Niemand zag het, en Israël ziet het niet. En alle discussies
die vandaag de dag gevoerd worden over: Hoe zie je dan het hele Joodse
leven, hoe zie je dat alles in Israël zich voortsleept. Nou, blindheid,
bedekking, blindheid, ze zien het niet. Ze hebben niks. Ze hebben geen
zicht op de Here Jezus, en dus zien ze niks. En dat verandert pas als
ze Hem zien. Dat verandert pas als het wonder gaat geschieden. Nu, nu
kun je dus eindeloos[
..], het is de schuld van wat ze ooit gezegd
hebben: "Kruisig Hem, kruisig Hem, wij willen niet dat Hij koning
over ons is", en dus is holocaust gekomen. Ik laat dat los, want
die schuldvraag mag je niet stellen, moet je ook niet stellen. En de
Here Jezus zal, ook in de toekomst, die schuldvraag niet zo stellen
van: Weet je nog wel, toen, daar, in Jeruzalem, toen hebben jullie geroepen:
"Kruisig Hem, kruisig Hem, weg met Hem. Nee, de werken Gods moeten
openbaar worden. De werken Gods. Wat is dat werk van God. Dat God genade
geeft, dat God liefdevol is. Maar je ziet in die ene man die gestuurd
werd naar Siloam om zich daar te laten reinigen met slijk op zijn ogen.
De Here Jezus had zich gebukt, nog een keer dat beeld. En je ziet hem
gaan, en je ziet Hem ziende terugkomen.
Wie is die Man dan. Ja, de Mens Jezus. Een mens Jezus. Nog iets verder:
Wie is die Man dan. Hij is een profeet, dat kan niet anders. Dat moet
zo zijn. Nog een keer: Wie is die Man dan. Nou, Hij is van God gekomen.
En nog een stap verder: Geloof je in de Zoon des mensen. Ja. Geloof
je dat Ik het ben. Ja, Here, ik geloof. En hij aanbad Hem. De aanbidder.
En dat is nu precies wat er straks gaat komen. De Here Jezus verschijnt,
op een dieptepunt, als het helemaal donker is. Als het in Israël
aardedonker is. het is nu al behoorlijk donker, maar het wordt nog beroerder.
En het wordt heel erg. En ze zijn volstrekt afhankelijk van iedereen
die nog een kleine duit in het zakje doet. Ze zijn volstrekt afhankelijk,
dan, in die tijd. Ze kunnen geen kant op, ze kunnen geen vin verroeren.
Helemaal niks meer. Het wordt zo erg dat Jeruzalem omsingeld is door
legers. Dat Jeruzalem belaagd wordt door iedereen. En als ze dan een
soort survival willen kennen, een overleving willen kennen in die tijd,
in de tijd van de toekomst, zijn ze volstrekt afhankelijk van wat anderen
in de hoed gooien, om dat nu zo maar eens te zeggen, of in het bakje
doen. Bedelen, blind, zonder zicht. Ook geen zicht op uitredding. Geen
zicht op verlossing, helemaal niks. Ze hebben niks, en ze weten niet
Wie de verlossing kan bewerken. In het boek Prediker staat een heel
merkwaardig geschiedenisje van een stad die belaagd wordt. En er is
in die stad één arme wijze man, maar ze vragen hem niet.
Hij had de stad kunnen redden, zegt het boek Prediker. Maar ze vragen
hem niet. Er is Eén die redden kan, en ze vragen Hem niet. Er
is Eén die uitweg biedt, en ze zien het niet. Met alle respect
voor hun vernuft, voor hun elektronische inzichten, voor hun enorme
inventiviteit. Het is onvoorstelbaar wat daar gebeurt. Uit een klein
land komen zulke, ja, wonderen van techniek. Het is bijna niet voor
te stellen. En we zeggen: "Zie je wel, God zegent." Maar ze
zien Hem niet. En ze willen Hem niet. En je mag ook niet over Hem vertellen.
En als er Messiasbelijdende Joden zijn, die mogen dat ook niet. En als
ze niet oppassen worden ze eruit gegooid. Dat Is echt zo. Ik ga niet
schoppen, het is echt zo. Ze willen Hem niet. En we kunnen praten wat
we willen. En we kunnen hulp verlenen, moet ook hoor, denk ik. Want
ook als ze in de gevangenis zitten moet jij ze bezoeken, en moet je
ze een beker koud water geven. Dat is nu precies wat de Here bedoelt.
Dus ik bedoel niet te zeggen van: Doe maar niks want ze zijn zo. Het
omgekeerde: Doe maar wel wat, want ze zijn zo. Ze zitten daar nog, en
ze zijn afhankelijk. Nou, doe maar wat in de zak. Doe maar wat in de
hoed of in het bakje. Dat hele tafereel is volstrekt helder. En het
wordt nog helderder als je dit hele gebeuren eens tilt naar wat er nog
gaat komen. Hoe ze daar in feite zitten zonder zicht, totaal verduisterd
en afhankelijk van anderen. En dan komt Hij. En Hij stelt niet de schuldvraag
aan de orde. Hij zegt wel dat de werken Gods openbaar worden. Die worden
dan openbaar. Als de Here Jezus komt, uit de hemel, na nu, straks, als
Hij komt, en Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg als Hij uit de
hemel komt, en Hij Zijn glorie, en Zijn heerlijkheid er openbaart, dan
zullen zij inderdaad die genezing krijgen. Op hun gezicht is dan a.h.w.
de hele situatie te lezen. Ik heb het u geschetst. En zij zullen erkennen:
De Mens Christus Jezus, de Profeet van God, van God gestuurd, alle hulde,
alle aanbidding waard. Dat gaat dan komen. Dan zijn er mensen die zeggen:
"Ja, dit kan niet, dit is niet goed." Ze gooiden Hem uit de
Synagoge, ze wierpen Hem uit. Dat betekent zoiets als in de ban doen,
gewoon uitsluiten van alle voorrechten, gewoon buiten alles plaatsen.
Nou, hebben ze toen gedaan, met Hem. En er zijn er ook in die tijd superreligieuze
mensen die zeggen: "Nou, het klopt niet, want 1+1=2, en volgens
ons is 1 dit en volgens ons is 1 dat, dus 1+1 moet 2 zijn. Maar ze zien
Hem niet. Je kunt superreligieus zijn, supergodsdienstig zijn, en als
je de Here Jezus niet kent, je kunt heel veel theologie studeren, als
je de Here Jezus niet kent, je kunt heel, heel ver gaan, als je de Here
Jezus niet kent, dan heb je nul, heb je niks. Dat is het probleem, messcherp
getekend in Joh. 9. Heel mooi verhaal, heel oud verhaal, en eigenlijk
heel dicht bij. Hier vindt u de Here Jezus die Zich bemoeit met die
ene. Zoals de Here Jezus Zich in het Johannes-evangelie iedere keer
met een eenling bemoeit. Eén, één, weet je wel,
Joh. 3, Joh. 4, Joh. 5, Joh. 6, Joh. 7, altijd één. Weer
één. Hij bemoeit Zich met die ene. En Hij komt om die
ene, ja, te tonen Wie Hij Zelf is. En dan zal Hij zeggen dat Hij geslagen
is in het huis van hen die Hem liefhadden. Dat is de Here Jezus.
Nou, de lijn, de insteek voor deze avonden is iedere keer, om uit een
oude geschiedenis die hier ligt, die al eeuwen vast ligt, de lijn naar
de toekomst te zien. Je ziet het, hoop ik, een beetje. Nou, als je het
een beetje ziet, dan ga je misschien morgen nog een keer dit stukje
lezen, ga je nog een keer Num. 5 lezen, en dan heb je overmorgen misschien
twintig vragen. Nou, dan stel je ze maar. Dan kom je maar, of je mailt
of je doet. Doe maar iets. Maar ga er wel mee aan de slag. En ga in
elk geval zeggen: "Eertijds was ik ook blind. Ik zag U ook niet
Here Jezus. Misschien had ik wel van U gehoord. Misschien hoorde ik
Uw naam noemen in mijn eigen omgeving, maar ik kende U niet Here Jezus.
Er is een moment gekomen dat U mijn ogen opende." Mag ik het anders
zeggen, Openb. 3: Ik raad u aan van Mij te koppen, hup, hup, hup, ogenzalf,
opdat gij zien moogt. Nou ja, ja, als het echt een zalfje zou zijn van
de apotheker, ja, maar dat smeren we erin. Dat doen we er in. Dat houden
we er in. Maar als de Here zegt: "Ik zal je eens wat laten zien.
Wie je bent en wat er feitelijk aan de hand is. En dat de enige oplossing
is, het levende water van Mijzelf. Dat levende water dat biedt de oplossing.
Dat geeft echt aan wat er te vinden is.
De Here zegene ons. En ik hoop ook dat u zelf zegt: "Here Jezus,
dank U wel voor wie U bent en voor wat ik van U mag zien." En misschien
zegt de één: "Ja, ik zie in hem de Mens Christus
Jezus." Dat is de eerste stap. Misschien zegt een ander: "Hij
is een profeet", tweede stap. Misschien zegt een derde: "Hij
is echt van God gekomen." Dat is de derde stap. Misschien zegt
iemand hier: "Ik wil het graag belijden, Hij is God zelf, Hij is
JHWH zelf, en we aanbidden Hem. We geven Hem glorie en Hem de hulde.
Amen.
|
|