|
|
20. Jezus spreekt, IK BEN.
Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis, |
|
|
Johannes 18 vers 1 - 40 1] Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met zijn
discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die
Hij met zijn discipelen binnenging. Een heel spannend hoofdstuk. Niet alleen spannend om te weten hoe het afloopt, want dat weet u waarschijnlijk. Maar spannend omdat hier dingen staan die met onze Here Jezus verbonden zijn. En die dingen met de Here Jezus verbonden, willen we graag met elkaar delen. Daar gaat het mij om. De Here Jezus zegt in Lukas 22 – waar Hij in diezelfde Hof is, toen Zijn zweet werd gelijk rode bloeddroppels die op de aarde vielen en Hij dodelijk beangst was – “Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbij gaan.” Daar spreekt de Here Jezus over een beker die Hij eigenlijk voorbij zou willen zien gaan. Hier, in Johannes 18, zegt de Here Jezus als Petrus Hem wil verdedigen en het oor afslaat van één van de dienaren van de hogepriester: “De beker die de Vader Mij te drinken geeft, zou Ik die niet drinken?” Het is niet hetzelfde moment. En het is ook niet dezelfde aanleiding. Maar Hij spreekt in beide gevallen over een beker die te drinken is, die gedronken moet worden. En voordat ik verder ga met hoofdstuk 18, wil ik jullie graag een stukje voorlezen uit Jeremia 25. Jeremia 25: Een beker van
gramschap; een beker van toorn; te drinken gegeven. Want ál die
koningen, ál die landen, ál die mensen, hadden de Here niet gediend.
Hadden het volk van God verdrukt, hadden het volk van God slecht
behandeld. En daarom gaat de Here ingrijpen. En Hij zegt: “Jullie
krijgen de beker van gramschap te drinken.” Dat hoeft eigenlijk niet zo
vreemd over te komen, want we hebben misschien allemaal het Nieuw
Testament gelezen, in het laatste bijbelboek – het boek Openbaring –
waar sprake is van de beker van de gramschap van God. Hoe zou jij het er
af brengen als jij nú oog in oog met God zou staan? Als God nu, vandaag,
een profeet naar jou toe zou sturen (Jeremia 25) met een boodschap uit
Zijn eigen troon…. Zou de Here dan zeggen: “De beker van gramschap, de
beker van toorn, de beker van het oordeel, die geef Ik je te drinken.”?
Ik wil niet zwaarmoedig zijn, dat ben ik ook niet van aard, van mijn
natuur en dat wil ik vanavond ook niet zijn, want er zijn zoveel mooie
dingen in Johannes 18 te vinden. Maar één ding moet heel duidelijk zijn:
Als jij niet gelooft in de Here Jezus, dan krijg je die beker van Gods
toorn, die beker van Gods gramschap, te drinken. Dat bedoelde Paulus
toen hij zei: “Wij dan, wetende de schrik des Heren, overreden de
mensen, laat u met God verzoenen!” Het heeft geen zin om te aaien, om te
kietelen en om te zeggen dat het allemaal leuk is en dat jullie allemaal
lieve lieden zijn, aardige mensen zijn. Het heeft geen zin. Als je niet
gelooft in de Here Jezus, dan zal de beker van Gods toorn, de beker van
gramschap aan jou te drinken gegeven worden. Er is maar één uitzondering
mogelijk, en dat is: geloven in de Here Jezus, die voor jou die beker
heeft gedronken. “Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker
aan Mij voorbij gaan.” Dat is diezelfde drinkbeker! De beker van Gods
toorn, van Gods gramschap. En de Here Jezus zag die beker op Zich
afkomen, voelde dat ook, en heeft emotioneel daar ook de pijn van
gevoeld. Ik ga niet verklaren hoe het medisch kan dat zweet grote
bloeddroppels worden, maar dat kan wel! Gewoon van stress…. De Here
Jezus heeft alle pijn, die jij en ik hadden moeten dragen, op Zich
voelen afkomen en Hij heeft daar voor willen boeten. Hij heeft die beker
geledigd. “Niet Míjn wil, maar Uw wil geschiedde.” En in Johannes 18 –
ons hoofdstuk van vanavond – zegt de Here Jezus: “De beker die de Vader
Mij te drinken geeft, zou Ik die niet drinken? Petrus, je kunt Mij wel
verdedigen. Je kunt voor Mij wel in de bres springen, maar dat is maar
zó miniem” En het is bovendien heel beperkt, want diezelfde Petrus
verloochent Hem een uur later. Mijn vraag: Heeft de Here Jezus de beker
die jij had moeten drinken voor jou gedronken? Dat is écht de crusiale
vraag. Daar moeten we niet omheen, daar moeten we ook niet onderdoor of
overheen; daar moeten we ook niet even met woorden verbloemen; dat moet
je heel concreet naar je toe laten komen en zeggen: “Dank U Here Jezus!”
Ik was nergens als de Here Jezus die beker niet had gedronken. Ik zou
nooit in de hemel komen als de Here Jezus die beker niet had gedronken.
Maar alleen door het geloof in Hem is voor mij het oordeel weg, is de
straf voor altijd weg. En God ziet mij nu als nieuw, rein, schoon,
zonder vlek of rimpel, ín Christus aan. Een lied uit een misschien wat
onbekende zangbundel zegt: “Dat wij nu gezien worden in het
onberispelijke kleed van Zijn volkomenheid” Dat is een
práchtuitdrukking! In Christus. Nieuw. Volslagen nieuw. Een nieuwe
Schepping. Ik hoop dat je hier zit als een gelovige die nu zegt: “Here
Jezus, dank U, dat deed U voor mij. Dat weet ik zeker, en dat is daar,
zeker in Gethsemane, zichtbaar geworden. Daar was U. Daar ging U. Nadat
die prachtige tijd samen met de discipelen voorbij was in de bovenzaal,
daar ging U naartoe. En U kwam daar dikwijls Here Jezus. U was daar.” En
of dat nu een soort spelonk geweest is – ik vermoed van wel: we zijn
daar wel geweest en je kunt een spelonk naar binnengaan en daar kun je
zeggen: Daar heeft de Here waarschijnlijk vele, vele nachten kunnen
doorbrengen; anderen zeggen dat het in de openlucht geweest zou zijn,
kan ook, laat maar. Hoe dan ook het is in die tuin geweest. In die tuin
ligt precies ook de Olijfberg, merkwaardig genoeg. Oostelijk van
Jeruzalem. Dáár is een olijvenhof. En dáár – de tuin met de naam
Gethsemane – was de plek waar de Here Jezus heel vaak kwam. Judas kende
die plek. Was daar ook vaak met Hem geweest en kon dus ook makkelijk die
plek vinden als gids voor anderen. De Here Jezus was daar. De
hoofdstukken 13 tot en met 17 vormen een geheel. We noemen dat wel eens:
“de afscheidswoorden van de Here Jezus” of “bovenzaalonderwijs” of
“onderwijs op het hoogste niveau”. En ik heb iedere keer geprobeerd om
de profetische lijn van het Johannes evangelie aan te reiken. En ik heb
gezegd: die hoofdstukken van 13 tot en met 17, vormen als het ware een
soort tussenstuk voor mensen die omhoog gevoerd zijn. Dat was misschien
best moeilijk, want dan ga je dus een bepaalde groep gelovigen eruit
lichten, omhoog tillen, een ander niveau geven en ja die maken dingen
mee die anderen niet meemaken. Maar dat was verborgen voor iedereen in
Jeruzalem, alleen voor de mensen die bij Hem waren. Dat gezelschap heb
ik ook de vorige keer heel speciaal benoemd. Nu gaat de profetie verder.
De Here Jezus gaat die tuin binnen. Gethsemane, Olijfberg. De Here Jezus
heeft Zich van de discipelen een stukje verwijderd en Hij heeft gevraagd
om te bidden voor Hem. Ze zeiden: “Natuurlijk! Ja, dat doen we!” Toen
Jozef vroeg: “Denk aan mij” aan de schenker, toen zei hij: “Ja hoor! Dat
doe ik wel!” en hij is nog niet in zijn werk begonnen, of hij is
faliekant vergeten wat hij ooit had beloofd…. We zijn van die makkelijke
toezeggers. En soms roepen we zelfs: “We bidden voor je hoor!” Nou
bijna: “Goedenavond…” zo ongeveer. En ’s morgens moet Hennie tegen mij
zeggen: “Je hebt helemaal niet gebeden voor die en die.” Nu heb ik nog
een stukje geweten – ik bedoel mijn vrouw – die dan zegt van: je hebt
het wel toegezegd, maar je doet het niet! Maar zo makkelijk zijn wij. En
als de Heer zegt: “Bidden jullie voor Me?” “Ja hoor! Zeker, doen we!”
Helemaal niet, ze vallen in slaap… En de Here Jezus verwijt, daar, dat
ze niet eens in staat zijn om één uur met Hem te waken. En ik heb al
vaker geroepen – dat was een soort test van een mevrouw die me dit
vertelde: zij dacht dat zij het beter zou doen; ze had een kookwekker
gezet en ze had een uur ingevuld en toen bidden, bidden, bidden, en ze
werd wakker van de kookwekker. Met andere woorden: ze was ook in slaap
gevallen. Je roept wel: “Ja, dat overkomt mij niet, ik blijf een uur
wakker.” Kennelijk is dat niet zo makkelijk. De Here Jezus heeft daar
geleden. En het contrast tussen Lukas en zijn omschrijving en in
Johannes en zijn beschrijving, die zijn enorm. Dat is wel vaker aan de
orde geweest, maar ik wil het écht, nú meenemen, ook nog een keer. In
Lukas vindt u de mens Christus Jezus. Misschien moet ik iets anders
beginnen. In het Oude Testament is er sprake van vier keer een Spruit,
met een hoofdletter. Een Spruit die Mens is, een Spruit die Koning is,
een Spruit die Knecht is, en een Spruit die Jahweh Zelf is. De Spruit
die Koning is, dat is het Mattheüs evangelie (Jeremia 23) De Spruit die
Knecht is (Zacharia 3) is het Markus evangelie. De Spruit die Mens is (Zacharia
6) dat is het Lukas evangelie. En de Spruit die Jahweh Zelf is, het
Johannes evangelie. Daarom hebben we vier evangeliën. Spruit die Mens
is. Heeft de Here Jezus als mens ook gevoeld wat mensen kunnen voelen
aan pijn, aan moeiten en aan spanning? Hij heeft het gevoeld. Zijn zweet
werd gelijk grote bloeddroppels die op de aarde vielen. Hij heeft het
gevoeld. De Here Jezus heeft geleden. Hij heeft de pijn gevoeld. De
eenzaamheid gevoelt. En gevoeld dat er niemand was die hielp, en dat Hij
het écht alleen moest doen. Dat Hij ook van Zijn getrouwen geen enkele
support kon verwachten. Hij is gegaan. Alleen. Zoals van de hogepriester
in het Oude Testament stond van de Grote Verzoendag, dat hij op die dag
naar binnen zou gaan en daar mocht niemand zijn in de tabernakel als de
hogepriester naar binnen ging; daar was ook niemand, dat mocht ook niet.
Alleen. De Here Jezus, de Mens Christus Jezus, Lukas, zweet,
bloeddroppels, angst, dodelijke benauwdheid. “Bid je voor Me? Kun je
niet een uur met Mij bidden? Kun je niet voor Mij bidden? Kun je niet
met Mij waken?” Ondanks alle toezeggingen heeft niemand het gered.
Johannes evangelie: heel anders. De Spruit die Jahweh is. De Here Zelf.
Bij God, was God, Woord is vlees geworden, heeft onder ons gewoond; niet
geboren. Dat staat niet in Johannes. Wij hadden dat al. Maar nu komt het
terug. De Here Jezus in de hof. Er komt een horde aan. U vindt hier
niets over dodelijke angst. U vindt hier niet over Zijn zweet dat werd
als grote bloeddroppels die op de aarde vielen. U vindt hier van die
angst, vreselijke pijn vooraf, niets. Maar wat vindt u wél? Dat Hij hier
staat in de tuin – ik zal het nu anders zeggen – dat Hij hier staat op
de Olijfberg, en dat tegenover Hem een aantal mensen staat. Judas, die
heeft Romeinse soldaten meegekregen en godsdienstige dienaren. En die
confrontatie daar op de Olijfberg is én aangrijpend en op hetzelfde
moment héél erg profetisch. Toen stond de Here Jezus daar en Hij vroeg:
“Wie zoekt u?” En zij zeggen: “Jezus, de Nazoreeër, de Spruit, de
Uitgesprotene, degene die uitgesproten was.” De Here Jezus vroeg dat.
Wie zoekt u. En zij geven antwoord. En de Here Jezus zegt: “Ik ben.” Ik
heb bewust dat woordje “het” weggelaten toen ik het voorlas, want dat
staat er ook niet in de grondtekst. “Ik ben” Hij noemt Zijn naam. Ik
Ben. Alles deinst terug. Alles ligt op de grond. Achterover gevallen.
Als u dan toch een voorbeeld vindt van achterover vallen, hier hebt u er
één. Als Hij zijn Naam noemt, deinst álles terug en ligt alles op de
grond, kan niemand een vin verroeren. Is dit uitputting? Is dit
dodelijke angst? Is dit Zijn zweet werd gelijk grote droppels bloed?
Neen! Dit is almacht, dit is glorie, dit is majesteit, dit is
heerlijkheid, dit is verhevenheid van de Here Jezus. Het is Dezelfde
Here Jezus. Het is locatie, het is hetzelfde uur. Het is hetzelfde, maar
héél anders. Ziet u hoe verschillend de beide evangelisten hier over
schrijven? De één heeft het over die Mens die lijdt, die voelt, die
proeft en die daar bijna aan onderdoor gaat; en aan de andere kant de
Here Zelf, Jahweh Zelf die in glorie en in heerlijkheid Zich daar
openbaart, Zijn naam noemt en alles deinst terug. Het is hetzelfde, maar
heel anders. Dat staat niet haaks op elkaar, dit staat in het verlengde
van elkaar. De profetische lijn is heel erg belangrijk. Ik geloof het
volgende. Straks zal daar dezelfde aanduiding zijn. Daar zal een profeet
zijn, een valse messias zijn, een antichrist zijn, de valse… Judas. Hij
komt! En hij komt nu al naar voren. Hij manifesteert zich nu al; voor
commercie is van alles te doen. Als de Here Jezus daar uit de tempel
uitbant allen die kopen en verkopen, alle geldwisselaars, gooit hij er
als het ware uit, tafels gooit Hij om; Hij wil niet dat er iets
ingewisseld wordt, want bij inwisselen is altijd iemand de klos. Het
práchtige van de Here Jezus, kán niet ingewisseld worden, kán niet
omgeruild worden voor wat anders. Er is geen alternatief voor. Niets.
Alleen het zuivere van de Here Jezus, het échte, dát is daar. Geen
wisselaars, geen gesjoemel, geen commercie. Niets van dat alles. Geen
wereldeconomie. Babel – u vindt het in het boek Openbaring – is
verbonden met wereldeconomie, met schepen, met spullen, met ruilen, met
koophandel, met cultuur, overal mee, ze hebben alles verruild; ze hebben
van alles een wisseltruc gemaakt. Dat is wat mensen doen. Maar de Here
Jezus wil dat niet. Straks komt er iemand die zich openbaren zal als de
Christus, maar hij is het niet, hij is de antichrist. Hij zegt dat hij
heel dichtbij is, dat hij zelfs wonderen doet; waarschijnlijk doet hij
dat ook. Je mag ook rustig aannemen dat Judas wonderen heeft gedaan.
Toen de discipelen waren uitgezonden, toen kwamen ze terug met een
verhaal van: we hebben wonderen gedaan; in Uw naam hebben we demonen
uitgeworpen en genezingen gedaan; we hebben van alles gedaan; wonderen.
Wonderen, ook Judas heeft het gedaan. Maar Judas heeft zich laten
ompraten. Is in de commerciële hoek terechtgekomen; in de wisselaarhoek
terechtgekomen; in de verkoophoek terechtgekomen. Maar straks komt er zo
iemand. Velen anti-christussen zijn nu al uitgegaan, maar dé antichrist
komt nog. Maar als hij komt dan komt hij met gigantische goocheltrucs.
En we zullen verbaasd staan over de wonderen en tekenen en over van
alles wat er over ons heen gestort wordt. Soms heb je het gevoel: het
lijkt alsof het al begint. Het is niet meer zo helder; het is vaag aan
het worden. Ik weet niet meer waar precies het goede geluid, het zuivere
van de Here Jezus nog te horen is. Judas. Hij komt er aan. Toen, ja
toen. Straks de antichrist. En de antichrist heeft op sleeptouw in de
toekomst, de Romeinse overheersers. Ja, toen waren dat mensen van
Pilatus enzo. Maar in de toekomst is dat het Europese Rijk. Nu al
zichtbaar, nu al aan blokvorming doende. Dat Europese Rijk dat zich echt
op alle mogelijke manieren gaat bemoeien met het Midden Oosten. Dé
oplossing zullen ze gaan aandragen en ze worden daar éven als helden
binnengehaald, maar daarna zijn ze ook niet meer weg te krijgen. Zo ging
het toen, toen de Romeinen daar voor het eerst kwamen. Ze hebben ze
gevraagd om te komen en ze zijn gelijk gebleven. Ziet u dat
spanningsveld van Openbaring 13, Openbaring 17? Ziet u dat beeld van
Daniël 2, met voeten van ijzer en leem? Ziet u het niet dat het aan het
komen is? Ziet u daar de tien koningen bij komen? Tien koningen die in
de Psalmen allemaal genoemd worden, allemaal Islamitische staten rondom
Israël; allemaal, stuk voor stuk. En ze gaan meedoen, ze gaan één uur
met dat enorme gevaarte in zee; en ze willen óók macht, ze willen ook
die invloed en ze zullen daar eens eventjes huishouden; ze gaan op een
verschrikkelijke manier tekeer. Zal ik ze benoemen? Toen Pilatus de
Romeinen vertegenwoordigde, vertegenwoordigde Herodus – de Edomiet – de
tien koningen. Die wordt bij de tien koningen genoemd. Die hoort
daarbij, bij dat hele spul. Alles komt bij elkaar hier, álles gaat
samenballen; sámen, tégen die Ene. Je hebt dus die valse profeet die
politiek meekrijgt, en de politiek niet alleen vanuit Europa maar ook
nog van omliggende landen. En vervolgens zijn daar dienaren van de
overpriesters en de schriftgeleerden bij, dat is het religieuze stelsel.
Het religieuze leven, het godsdienstige spul. Ja, dat wordt zo. Dat
wordt een heel gedoe. Want aan het politieke leven kleeft een enorm stuk
etiquette van godsdienst. Er komt een hele godsdienstige beleving en
godsdienstig gedoe op de Heilige Berg – de berg Moria – een heilige
plaats zal een offerplaats zijn. Er zal ook een afgodsbeeld staan en ze
moeten knielen voor dat beeld; ze moeten knielen en als ze niet knielen
dan kun je niet meer kopen en dan kun je niet meer verkopen; dat is
allemaal in die tijd. En al die dingen, die spannen samen en die gaan
naar de Olijfberg. Want de duivel, die wil - als de grote souffleur –
vertellen, dat je moet voorkomen dat Hij daar komt. En als Hij komt,
gelijk arresteren, gelijk meenemen en afvoeren. De duivel gelooft de
bijbel. Hij weet heel precies, dat als de Here Jezus komt, Hij daar
komt. Niet op een andere plek. De Here Jezus komt uit de hemel. Waar
komt Hij? Voor mij is het zó helder, zo zonneklaar, dat Hij op dezelfde
vierkante meter terechtkomt dan waar Hij toen stond om te zeggen: “Ik
Ben.” Of ik dat kan bewijzen? Nee. Maar bij God is zoveel orde, zoveel
harmonie, dat ik met hele duidelijke zekerheid stel: dáár zal de Here
Jezus, dán staan. Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg, oostelijk
van Jeruzalem, en Hij zal Zichzelf openbaren: “Ik Ben!!!” Hij verschijnt
in glorie en in heerlijkheid. Jahweh van het Oude Testament heeft een
naam gekregen: Jezus; Here der heren, Koning der koningen. Alles deinst
terug. Alles valt achterover. Niemand blijft overeind. Elke knie zal
buigen, elke tong zal belijden dat Hij de Here is. Dat gaat dán
gebeuren. Waar? Op de Olijfberg, oostelijk van Jeruzalem. Dáár zal de
Here Jezus verschijnen, de aarde zal stralen, de gloriewagen van
Ezechiël zal dan zichtbaar zijn. Voor Israël zegen, voor de volkeren
oordeel. Alleen voor die, waar de beker der gramschap voor gedronken is,
is er zegen. Maar als dat niet het geval is, dan zal de beker worden
gegeven aan al die volkeren. Ik heb ze met jullie gelezen uit Jeremia
25: uit de Gazastrook, uit Jordanië, uit het Noorden, uit het Zuiden,
rondom. Ze zullen allemaal die beker drinken; de beker van Gods toorn,
de beker van Gods oordeel. Stel dat u nu naar de Olijfberg zou kunnen,
stel dat u daar een kleine bijbelstudie zouden hebben (er is daar een
heel mooi plekje waar je stil kunt zitten – het kost maar 25 euro om de
portier om te kopen); dan zit je daar. Ik denk dat je met mij gaat
zeggen: “Ik kniel neer, en ik aanbid U Heer, ik wil mij buigen voor U
Here Jezus.” Wat daar is gebeurd is met geen pen te beschrijven. Wat
daar zál gebeuren is ook met geen pen te beschrijven. En wie daar
destijds was, is de Here der heren. En wie er straks zijn zal, is
diezelfde Here der heren. Ziet u hoe hier een profetisch vergezicht
wordt gegeven voor jou en voor mij, om ons nu tot aanbidding te brengen,
om ons nu op de knieën te laten gaan en om ons te laten zeggen: “Here
Jezus, dank U wel, dat U voor mij de beker wilde drinken.” Ik kan me ook
niet voorstellen hoe ik het anders had moeten vertellen. Ik ben zo blij
dat er twee beelden zijn, twee taferelen zijn: een Lukas beeld, als ik
dat zo zeggen mag en een Johannes beeld. Het is dezelfde Heer, het is
hetzelfde moment, het is dezelfde tuin; het is allemaal hetzelfde. Maar
twee facetten. Ik heb vaker gezegd dat in die kerk die daar nu is, (een
soort kathedraal gebouwd door een Italiaanse architect) die beide
beelden ook zichtbaar zijn daar aan de binnenkant; alleen niemand heeft
tijd, je mag er ook geen woord zeggen want stel je voor dat je daar over
de Here Jezus begint – sorry hoor dat ik dit zo katterig zeg, maar dat
is het wel vaak – maar daar vind je die beide kanten van dit bijzondere
gebeuren. De Here Jezus, mij Heiland. Je zou Hem op de schouders willen
nemen. Ik zou met Petrus willen zeggen: “Al zullen alle mensen
wegrennen, ik blijf.” Maar ik durf niet zo goed, want ik heb Petrus ook
leren kennen als een stuk van mijzelf. Niet altijd maar zo nu en dan
tóch… Als jij je mond houdt is het eigenlijk hetzelfde! Ik wil niet
zeggen dat ik altijd roep: “Ik ken Hem niet!”, ik denk niet dat ik dát
ooit gezegd heb, tenminste ik kan me dat niet herinneren dat ik dat zelf
zo expliciet zei. Maar Hem negeren, of jezelf een beetje verdekt
opstellen… dat kan ik mij wel heel goed herinneren. Ik schaam mij daar
voor. ‘k Heb volgende week zondagavond een dienst in Sidderburen; ik
hoop dat u daar voor gaat bidden. Ik ben in Sidderburen naar school
geweest, ik heb in Sidderburen de muziekvereniging meegemaakt, het
kinderkoor, vriendjes, weet ik veel wat allemaal. En ik heb het niet zo
goedgedaan vroeger. En nu hebben zij mij tot mijn stomme verbazing
gevraagd om in een tent, een grote feesttent waar 1200 mensen in kunnen
geloof ik; de hele week hebben ze daar feest, en zondagavond mag de kerk
daar dan die tent gebruiken, want ja, het is toch geen feest meer en die
tent wordt maandag pas afgebroken. Zo ongeveer gaat dat dan. En de kerk
mag dan een spreker uitnodigen om iets te doen. Nou, dat doen ze al
jaren en deze keer ben ik uitgenodigd. Ik was er zo blij mee! Ik wil ze
vertellen wat ik allemaal niet goed gedaan heb. Ik wil belijden, ik wil
zeggen dat ik de Here Jezus tóch van harte moet kennen en had moeten
eren, had moeten dienen, maar ik heb het niet gedaan. En ik wil ook
graag vertellen dat het veranderd is in mijn leven, dat het anders
geworden is; dat ik Hem heb leren kennen en nu kan zeggen dat mijn toorn
weg is, dat mijn beker leeggedronken is; niet door mijzelf maar door Hem
die zei: “Vader, alleen als ik het tóch moet drinken, Uw wil
geschiede!”. De Here Jezus leren. Kijkt u naar Gethsemane en u wordt
inderdaad aangeraakt. Dat hoop ik ook, dat bidt ik ook, dat u aangeraakt
wordt. Niet dat u zegt: “Het is zo slecht met mij!” Nou, het wás slecht
met je, het was helemaal niet goed met je; het was misschien veel
beroerder dan je dacht, maar de Here Jezus heeft dat allemaal voor God
willen belijden, alsof het Zijn schuld, alsof het Zijn zonden waren. En
nu is alles weggedaan. Álles. Je bent brandschoon in de Here Jezus. Het
is helemaal weg! Hij heeft de beker helemaal leeggedronken. En toen Hij
zei: “Het is volbracht”, toen was het echt over. Dus je bent in die zin
gewoon te feliciteren! Maar besef dat het niet goed met je zat, mag ook
betekenen dat het nu super is door het geloof in Hem. En als jij je dan
realiseert dat niemand minder dan Hij, dáár – Hij die kon zeggen: “Ik
Ben!” en alles deinst achterover – dat Hij voor jou die prut ging
oplossen en die zonde ging belijden alsof het Zijn schuld en Zijn zonden
waren, dat Hij dat deed, dat maakt alles anders. “Here Jezus, U bent
geweldig! Ik wil U prijzen Heer, Ik wil U eren, ik wil U aanbidden.” De
Here Jezus geeft die mensen die achterover vielen gelegenheid om weer
overeind te krabbelen. Dat is ook gebeurd. Vraagt nog een keer: “Wie
zoekt u?” “Jezus…”. Ik denk dat het geluid wat minder was, wat gedimd
was. En dan zegt de Here Jezus: “Als u dan Mij zoekt, laat dan dezen
heengaan.” Mooi hé? Die anderen mogen weg. Die anderen hoeven die beker
niet te drinken. Zie jij jezelf niet? “Jij mag weggaan, Ik doe het wel
voor je Dato!” Dat gebeurde toen. Jij hoeft het niet te doen. Ik heb het
voor jou gedaan. En de Here Jezus is niet gearresteerd omdat er zo’n
gigantische horde naar Hem toe kwam met zwaarden en stokken en wapens en
knuppels, nee, één woord van Hem en ze liggen achterover. Twaalf
legioenen engelen had Hij erbij kunnen roepen. Maar dat is niet eens
nodig, want alleen zijn woord… En als u Openbaring 19 leest, hoe Hij uit
de hemel komt, Hij zal Zijn naam noemen en alles ligt plat. Dat komt
nog. Maar toen heeft de Here Jezus Zich vrijwillig overgegeven. Dat
blijkt. Hij heeft Zijn handen uitgestrekt en heeft Zich laten boeien en
heeft Zich laten wegleiden. Zo kwam Hij bij Annas. Nou, dat geklungel
bij die hogepriester, daar zijn allerlei theorieën over; ik zal u daar
niet mee vermoeien. Maar Annas zou zijn afgezet door de Romeinse
bezetter, omdat hij op de een of andere manier niet deugde. Zijn
schoonzoon Kajafas was aan de beurt. Hoe dat kan laat ik ook maar even
los, want dat zou altijd een zoon moeten zijn; een schoonzoon kon in die
zin nooit aan de beurt komen. Er zijn hele verhalen over, maar dat laat
ik u echt zélf uitzoeken. Als u daarin wilt duiken doe dat maar een
keer; je wordt er niet vrolijk van. Feit is dat Annas, de oude
hogepriester, kennelijk heel veel invloed had. En Kajafas heeft op
hetzelfde moment het Sanhedrin bij elkaar getrommeld, dus die moest ook
wat doen. En toen dat zo’n beetje bij elkaar was, toen is de Here Jezus
van Annas naar Kajafas getransporteerd. Er moest een soort zitting zijn
van twee dagen, twee achtereenvolgende dagen. En dat is ook niet gelukt.
Het is allemaal zo krom als een hoepel geweest daar. Bijna dat de Bijbel
zegt in het boek Jesaja 18: “rechtsverkrachting in plaats van
rechtsbetrachting”. Ze hebben Hem bespuwd. Ze hebben Hem geblinddoekt.
Ze hebben tegen Hem gezegd: “Profeteer, wie is het die U geslagen
heeft?” Alsof Hij dat niet kon. Ze hebben met Hem gesold. Ze hebben Hem
daarna bij Kajafas gebracht. Kajafas heeft een schijn, een
schertsvertoning opgevoerd. Er is een veroordeling gekomen: “Hij is des
doods schuldig.” Hoe? Omdat Hij zei: “Ik Ben de Mensenzoon.” Hij, de
Here Jezus, noemde Zich de Mensenzoon. Dat is een titel uit Daniël 7, en
die titel die duidt erop dat die Man, die Mensenzoon is of zou zijn, dat
Hij ook álle macht zou hebben; dat Hij uit de handen van de Oude van
Dagen, alle macht zou krijgen; dat Hij zou gaan heersen; niemand is
groter dan Hij, de Mensenzoon. En de Here Jezus die zei: “Ik Ben dat!”
Die hogepriester zegt: “Dán moet Hij God zijn!” Nou, dat klopt, die
conclusie was volstrekt legaal. Ja, maar dat kon niet want dat geloofde
hij niet, dús scheurde hij zijn kleren. Of dat de hogepriesterlijke
kleren waren, weet ook niemand. Als dat zo is, is dat een schande! Dan
heeft hij dat wat God gegeven heeft, kapot gescheurd. Dat had hij al
gedaan door er zo’n kromme rechtsgang in te zetten. De Here Jezus… Hij
wordt bespuwd, Hij wordt geslagen. Ze hebben Hem daar in het gevang
gestopt. Petrus heeft in de tussentijd gezegd dat hij Hem niet kende.
Gelukkig weende hij, Petrus. Er is nu een kerk op die plek:
Petruscandicantous heet die kerk; mooie naam. De haan kraait, Petrus
heeft geweend. De kerk van het hanengekraai. Allen die daar ooit geweest
zijn hebben die prachtige mozaïekkunst gezien daar; echte hele mooie –
als je dan toch een mooie kerk wilt zien, dat is er eentje. Maar één van
die schilderijen die echt opvalt is dat de Here Jezus daar staat en dat
boven Hem een Vader is, een Vaderfiguur die Zijn handen voor Zijn ogen
doet, alsof Hij het niet kan aanzien. Je kunt wel janken als je dat
ziet. “Ja, Vader, zo was het; ze hebben daar met Uw Zoon gesold; ze
hebben met Hem, Uw Geliefde, Uw welgevallen, gedaan wat ze zelf wilden,
maar U kon het feitelijk niet aanzien. Het is voor U vreselijk geweest.”
Hij stond écht alleen. Daar is een kerker helemaal onderin. Een trapje
naar beneden en nóg dieper, nog dieper. Je komt daar op een plek waarvan
men zegt dat dit de plek is waar de Here Jezus de rest van die uren
heeft doorgebracht. Een soort hol waar je dan kunt staan en dat is het
dan ook ongeveer. Het is authentiek. De meeste vierkante meters zijn
niet precies te duiden, maar deze vierkante meters zijn heel precies te
duiden. Pilatus. Ik kan dit het beste zeggen – ik kan niet meer zoveel
tijd aan u vragen, maar ik kan dit het best zeggen -: Probeert u het
eens in de geschiedenis van Jozef uit het Oude Testament te lezen. Wie
verwierpen hem het eerst? De broers. Wie verwierpen hem daarna? De
heidenen. Potifar en de hele horde daar om heen. De Here Jezus, eerst
door de Jood verworpen daarna door de heiden die notabene zegt: “Ik vind
geen schuld in Hem; er moet met Hem toch iets bijzonders aan de hand
zijn.” Ik wil niet zeggen dat Pilatus bewust Hem veroordeelde, maar was
zo slap dat hij zich liet omkopen – wisselaars – hij liet zich omkopen
om toch een veroordeling uit te spreken. Hij weet nog een handigheidje
te bedenken door Barabbas daar naast Hem te zetten. Barabbas betekent:
Zoon van de vader. Hoe is het mogelijk! Barabbas is een rover en heeft
in een oproer een moord begaan, zegt de bijbel. Een oproerkraaier, een
moordenaar en een rover. Dat zijn precies de kwalificaties, die de
bijbel zegt, van de satan. Hij is in opstand gekomen, oproer. Hij rooft,
hij klauwt. En hij wil doden. Daar staan ze, naast elkaar. En ze hebben
geroepen: “Barabbas maar!” Dat is zó dramatisch! Dáárom zitten ze nu nog
tweeduizend jaar zonder! Ik weet niet of ik de schuldvraag moet
behandelen. De schuld is weg, want de Here Jezus heeft gezegd: “Vader,
vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen!” En dat laat ik ook zo.
Ik kan niet zeggen dat de schuld er nog is; ik kan wel zeggen dat de
gevolgen van hun keuzen er nog steeds zijn. En als je naar het volk
kijkt, vandaag, dan denk je: “O, o! Jullie kozen voor Barabbas, jullie
weg is één compleet lijden geworden; een rover, een oproerige
opstandige, en een moordenaar is jullie leidsman geworden; daar zit je
nu al tweeduizend jaar mee, vrijwel.” De Here heeft ze vergeven. Er is
dus een oplossing, er is vergeving! De gevolgen… Kijk, u en mijn zonden
worden vergeven; de gevolgen van de zonden blijven soms zitten. Als u
zich een ziekte drinkt bijvoorbeeld, uw lever is aangetast, dan kunt u
zeggen: “dat had niet zo gemoeten”. Dan wil de Here Jezus die zonde
vergeven, maar ik wil niet zeggen dat de lever altijd op hetzelfde
moment weer tot herstel gekomen is. De gevolgen van de zonden zijn er.
En zo is het me alle zonden. God wil je vergeven. Ik ontmoette een man
in Suriname, ik dacht dat hij bij acht vrouwen kinderen had en hij
woonde nu samen – was niet getrouwd – met een negende. Hij kwam nu tot
bekering. Nou, dat is heel makkelijk, in kerkelijke kring, ja je moet
gaan trouwen. Ja, maar met wie dan? Ik bedoel, het probleem is niet één
twee drie opgelost. Maar het gaat me hier om: bijna op elke hoek van de
straat kwam hij de gevolgen van zijn leven tegen en dat was voor hem
geen plus, dat was voor hem een duidelijke min. Hij kwam altijd de
kinderen tegen. Ik hoop dat u mij begrijpt. De Here Jezus heeft gebeden:
“Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.” Dat is de
absolute de basis voor vergeving. Maar de gevolgen van wat ze toen
deden, dat voelen ze nog steeds. Ze kunnen er echt door heen komen, ze
kunnen tot bekering komen. En het is zó fantastisch als je mensen
ontmoet uit die joodse kringen die nu de Here Jezus kennen;
Messiasbelijdende joden. De eerste was natuurlijk Paulus, of Petrus, of
Jacobus en Johannes en die drieduizend en daarna. Dat ging maar door,
maar nu nog! En die mensen getuigen zo van de Here Jezus. En die zien
ook de schuld bij dat volk. Niet dat er geen vergeving is voor dat volk,
maar dat ze nog steeds gebukt gaan onder de lasten van toen. Zodra ze de
Here Jezus leren kennen en Hem aannemen, is de beker niet meer voor hen! Ik wil graag
bidden. Misschien wilt u wel meebidden:
|
||
|
|