| |
Lezen: Openb.
11
Op voorhand, het
laatste vers van dit hoofdstuk, dus van hoofdst. 11, zullen we zo de
Here wil, de volgende keer meenemen, want dat hoort bij het stukje van
hoofdst. 12. Maar ik lees het maar mee, zodat u in elk geval het verband
vast kunt houden.
Hoofdstuk 11. Sommigen vallen misschien midden in een onderwerp, zijn
niet hier geweest in vorige samenkomsten, bijeenkomsten. U kunt altijd
een bandje bestellen of zoals dat zo prachtig heet een drager van geluid,
u kunt altijd nakijken wat er al gezegd is. Het is ondoenlijk om iedere
keer de hele loop van het boek Openbaring nog een keer neer te zetten
zodat u, laat ik maar zeggen, weer helemaal er in bent, want dat zou
misschien de helft van de tijd in beslag nemen.
Het laatste bijbelboek gaat over de Here Jezus. De openbaring van Jezus
Christus. Het gaat over de Here Jezus. En God wil dat de Here Jezus
uit de verf komt, heel helder, heel mooi, heel specifiek neergezet wordt.
En daar heeft Hij een heel boek voor. En aan Johannes is de gelegenheid
maar ook de opdracht gegeven om dat prachtige werk echt helemaal uit
te bouwen, neer te zetten, zodat de Here Jezus zichtbaar wordt. Dit
is bedoeld voor gelovigen, voor mensen die de Here Jezus Christus hebben
leren kennen als Heiland en als Verlosser. Dat is eigenlijk de enige
voorwaarde. Dus niet een soort theologische vooropleiding of een kerkelijke
achtergrond, maar de Here Jezus kennen als je Heiland en als je Verlosser.
Echt weten: Mijn schuld is weg, mijn zonden zijn vergeven en door het
geloof in de Here Jezus mag ik echt zeker weten dat ik een kind van
God ben. Dat kan ik er niet inpompen en ook niet injecteren. Ja, ik
zou het wel graag willen heb ik wel eens geroepen, maar ik heb zo'n
injectienaald niet. Maar toch zou ik u graag willen vragen om een eerlijk
antwoord te geven op die vraag: De Here Jezus is dat mijn Heiland is
dat mijn Verlosser, persoonlijk, ken ik de Here Jezus als mijn Heiland
en als mijn Verlosser. Dat is de voorwaarde. Vanaf het moment dat je
de Here Jezus kent als je Heiland als je Verlosser, weet je dat je zonden
vergeven zijn, weet je dat je een kind van God bent, weet je dat je
leven hebt tot in eeuwigheid, weet je dat de Heilige Geest in je is
gaan wonen, weet je dat je bij de Gemeente van de Here Jezus hoort,
weet je ook dat je de dingen van de Heilige Geest kunt gaan begrijpen.
Dat is Gods genade, Gods bijzondere gunst om mensen het vermogen te
geven de dingen van de Here Jezus en de dingen van de bijbel te snappen.
Dus niet je vooropleiding of je achtergrond, maar geloven in de Here
Jezus en de Heilige Geest die in de woont, dat is de geweldige zegen
van God, om de dingen van God ook te begrijpen. En nu gaat het in hoofdst.
4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 van het laatste bijbelboek ook over de dingen
na nu. De dingen die na dezen geschiedden zullen. Nou, dat is best interessant,
want je hebt dus informatie van de Here God Zelf over de toekomstige
dingen. Dat is gewoon een opmerking uit de bijbel zelf. We zitten nu
in het derde stuk van het laatste bijbelboek, veruit het grootste stuk,
en in dat derde stuk gaat het over na nu, na de dingen van vandaag.
en de vorige keer zei ik iets over Openb. 10, over de Here Jezus die
dan daar verschijnt met Zijn ene voet op de zee en Zijn andere voet
op de aarde, met een boekje in Zijn hand. En Johannes moet dat boekje
gaan eten. En dat boekje, dat is in de mond zoet en in de buik wordt
dat bitter. Maar ik heb toen gezegd: "Mensen die dat boekje eten
hebben ook verstand van Gods maat, van Gods norm, van Gods meetlat.
En die zijn in staat om de tempel te meten. Mensen die het woord van
God niet willen eten, die dat niet tot een verwerking willen laten komen
in hun eigen geestelijke spijsverteringsorganen, kunnen wel een grote
mond hebben over, maar hebben geen norm, hebben geen maat, zijn niet
in staat om met Gods meetlat de dingen van beneden te meten. Ze zijn
niet in staat om dat te doen. Ze kunnen het niet. Alleen maar die, die
het woord van God hebben gegeten en bij wie dat woord van God ook tot
een stukje verwerking, tot een stukje geestelijke spijsvertering is
gekomen." Zo zeiden we dat de vorige keer.
Nu er zal een tijd komen zegt Openb. 11 dat Jeruzalem helemaal vertreden
zal zijn door de volkeren. dat is ook niet voor het eerst. U weet dat
Nebucadnezar als eerste Jeruzalem heeft vertreden, de tempel heeft verwoest
en alles heeft stuk geslagen. Ook toen is de tempel en is Jeruzalem
in de handen van volkeren, in de handen van heidenen gegeven. Dat was
de tijd waarin Daniël en zijn vrienden in Babel zaten, Ezechiël
bij de ballingen zat ergens in een vluchtelingenkamp bij de rivier de
Kebar en er een profeet Jeremia was tot het einde toe, tot het laatste
toe, om daar toch nog in die stad te profeteren. Zeventig jaren later
mocht een klein deel terug keren, sorry, mochten de twee stammen terugkeren,
dat er maar een klein deel terug kwam is hun eigen fout c.q. hun eigen
keuze. Maar de twee stammen mochten toen terugkeren naar Jeruzalem en
mochten beginnen met de herbouw van de tempel. U vind dat in Ezra en
later in Nehemia. Het ging niet zo goed in die tijd. Het ging zelfs
heel slecht, want het duurde niet zolang of al die mensen die teruggekeerd
waren die werden bang. Die kropen in hun schulp en die stopten met de
arbeid aan de tempel, gingen aan hun eigen weldoortimmerde huizen, tekst
uit Haggaï maar het slaat op die tijd, die gingen bouwen aan hun
eigen weldoortimmerde huizen. Maar het huis van God lieten ze aan hun
lot over. In die tijd traden er twee profeten op: Haggaï en Zacharia.
En in het boek Zacharia vindt u eigenlijk een hele precieze omschrijving
van wat er toen daar gebeurde. Ik moet dit even kwijt omdat Openb. 11
direkt aansluit bij Zach. 4 en 3 en 6, bijna bij het hele boek. Ik zal
het proberen te schetsen.
Zacharia heeft in zijn prachtige schitterende profetische weergave gesproken
over de priester. dat was in die tijd een zekere meneer Jozua. Zo heette
die man. Dat is niet de Jozua die Israël vroeger een keer in het
land heeft gebracht maar een Jozua die veel en veel later heeft geleefd
en die hogepriester was. Maar die hogepriester Jozua, een soort voorganger
dus, iemand die voorop ging en die in de herbouw van de tempel toch
een hele bijzondere plaats had, een hele bijzondere rol had, die Jozua
die durfd niet meer. Waarom durfde hij niet meer. Nou, Zacharia maakt
dat haarfijn helder. want Jozua die keek een beetje naar binnen en die
zei, wat een broeder vanmiddag in de bidstond zei, we hebben vanmiddag
een kleine bidstond hier altijd, hier ergens in een zijhokje, en toen
zei een broeder: "Als we naar onszelf kijken Here, dan hebben we
geen been om op te staan." U wel waarschijnlijk, nee, ook niet
he. Als we naar onszelf kijken: Here God, wie kan bestaan. Wie van u
zonder zonde is.... We weten allemaal dat dat niet kan. Nu, Jozua was
met vuile kleren bekleed. Dat is het onderwerp in dat boek Zacharia.
Die hogepriester Jozua zag er helemaal niet brandschoon uit, nog sterker,
hij was smerig, hij had vuile kleren aan. En hij was gewoon niet geschikt
zou je zeggen, om het werk van de Here te doen. Nou, een soort beklemmend
gevoel. Ik denk dat iedereen dit gevoel kent. Je wilt iets doen voor
de Here. Je wilt de buruvrouw iets vertellen van de Here Jezus. Of je
wilt iemand meenemen naar een dienst, nar een kerk. Of je wilt een blaadje
uitdelen. Je wilt iets doen voor de Here Jezus en dan komt er zo'n stemmetje
van binnen, of van buiten, en dat zegt: "Jij, houd jij nu maar
je mond. Want gisteren ging het helemaal niet goed met je. Nu wil je
de vrome Hein of de vrome tante uithangen", ik weet niet hoe ik
het zeggen moet, "maar het klopt helemaal niet met je. Het zit
helemaal niet goed met je. Er zit van alles mis. Jouw denken is verward
en je denkt aan verkeerde dingen." O ja, ja dat is ook zo. Nee,
laat ik mij maar stil houden. En 90% van de gemeente houdt zich inmiddels
stil. en die 10%, daarvan zeggen sommigen nog: "Die hebben een
plaat voor hun kop, want als zij dat niet hadden dan waren zij ook wel
stil." begrijpt u het verhaal. Moet ik nu gaan zitten. De duivel
zal zeggen: "Nou, graag." Maar er is een Ander die in dit
boek Zacharia vertelt van: "Doe uit hem die vuile kleren en trekt
hem een statiegewaad aan. Dat is de priester, blijf er af met je tengels"
Sorry hoor, mijn vertaling van wat daar staat. De Engel des heren, de
Here Jezus zelf zegt: "k heb hem als een brandhout uit het vuur
gerukt en jij blijft er af." En ineens staat Zacharia [Moet Jozua
zijn] niet meer in zijn vuile kleren maar in een statiegewaad. Dat gebeurde
daar. en Zacharia de profeet komt bij Jozua op bezoek en zegt: "Moet
je eens luisteren, ik heb je gezien in je vuile kleren. Je zag er helemaal
niet zo florissant uit man. Wit weggetrokken." Zou Jozua gezegd
hebben: "Ja, je hebt gelijk." Maar Zacharia zegt: Ik
zag je ook nog in andere kleren. In een statiegewaard. Schitterend man,
prachtig. De Here legde een steen voor je neer en jij moest die steen
gaan neerleggen. De herbouw van de tempel." Nou, dat moet een bemoediging
voor Jozua geweest zijn. Dat hij toch voor God gezien werd alsof hij
een statiegewaad aan had. Alsof hij nooit gezondigd had. Alsof hij er
schitterend voor stond. Zo ziet God jou ook hoor. Als de duivel influistert
van: "Hou jij je nu maar stil want jij hebt geen been om op te
staan. Jij moet je maar stil houden en jij met je verkeerde gedachten,
met je verkeerde routes, met je verkeerde beslissingen, jij moet je
maar stil houden." Dan zegt er een Ander, die zegt: "Maar
Ik heb voor hem betaald, Ik heb voor haar betaald. Ik heb alles vereffend
wat er te vereffenen viel en voor Mij is het allemaal glad en schitterend."
Jozua de hogepriester. Dat is Zach. 3. Zach. 4 vertelt u over een Zerubbabel,
de zoon van Sealthiël. Nou, moeilijk woord, ik ben al blij dat
ik dat zonder stotteren achter elkaar zeggen kan. Maar goed, Zerubbabel
een zoon van Sealthiël. En die was landvoogd en die krijgt ook
de opdracht om aan de slag te gaan. Je moet je dus voorstellen: Ze zijn
terug uit Babel, ze zijn terug uit de verstrooiing, ze mogen gaan bouwen.
De politiek is tegen, de hele goegemeente is tegen, alles is tegen,
niemand wil het. en zelf schrompelen ze ineen, ze durven niet meer,
ze kunnen niet meer, ze zijn helemaal weggezakt, ze doen eigenlijk niets
meer. En in die tijd komt die profeet op bezoe, Zacharia, die zegt:
"Jozua, aan de slag. Niet kijken naar je vuile kleren want die
zijn uit. En Zerubbabel, aan de slag. Niet kijken naar wat jij allemaal
niet kunt want de Here God doet het. "Niet door kracht, niet door
geweld, maar door Mijn Geest" spreekt de Here." hoort u het."
Nou, die mensen die krijgen me daar even een injectie van Zacharia van
grote omvang. Die krijgen een soort impuls van en nu aan de slag en
geen excuus meer. En die beide mannen worden genoemd, wat in Openb.
11 staat: Deze twee zijn de olijfbomen, de twee kandelaren. Daar komt
dit vandaan. En dat verband dat moet er zijn want anders dan snap je
niet waar hier in Openb. 11 sprake van is. In die tijd werden er dus
twee neergezet, een priester en een koning. Ja hij was niet echt koning,
hij was landvoogd, maar toch een priester en een koning. en die priester
en koning die moseten samen echt de kar gaan trekken, die moesten zelf
daar het voortouw nemen om daar te vertellen en om daar te tonen waar
de Here zou gaan wonen en wat er zou gaan komen. Niet kijken naar de
omstandigheid. Niet kijken naar het feit dat ze daar maar onder de druk
van de volkeren terug waren. want de volkeren, de heidense koningen
bleven baas in Jeruzalem. En ze hebben dat ook getoond, ze hebben dat
ook laten zien. Maar toch, in die tijd overeind blijven en toch getuigen
van, ja, van hun geloof in de Here Jezus zouden wij vandaag zeggen,
maar dat hadden ze natuurlijk niet. Overeind blijven om daar voor God
een bijzonder getuigenis te vormen. Ik hoop dat u dit verhaal naleest
in uw bijbeltje. U doet er maar twee of drie ochtenden over, maar doe
het alsjeblieft. Probeer dit eens op te nemen in het OT. En probeer
eens te lezen dat deze twee mannen olijfbomen genoemd worden. en nu
moet u zich even iets inbeelden. Twee olijfbomen, ze worden daar torenhoog
neergezet. Die ene is dan die priester Jozua en die ander is dan die
landvoogd Zerubbabel en die laten, omdat ze olijfbomen zijn, hun olijfolie,
dat is het beeld, daar in Zacharia, door een soort buis stromen naar
en bak, naar een vergaarbak, een soort olievat, zo zou je het misschien
mogen zeggen. En uit dat verzamelpunt, zo'n olievat kwamen toevoerbuizen
naar een kandelaar. En die kandelaar brandde bij de gratie van die twee
olijfbomen. Het was een soort permanent circuit. Dus die olijfbomen
zorgden voor de olie, diemolie kwam in een vergaarbak, die vergaarbak
distribueerde naar de zeven lampen en die lampen die gingen branden.
En zolang er olie bleef, bleef er ook licht. Dat zegt de Here daar.
Een heel mooi beeld. Weet u warom de Gemeente vandaag vergeleken wordt
met een kandelaar. Ja, nu weet u het misschien. U hebt de Heilige Geest
in uzelf. U bent zo'n olijfboom, toch. Durft u te zeggen: "Ja als
ik naar mezelf kijk en naar mijn vuile kleren". Ik heb het dus
niet over ons kloffie, dit is behoorlijk schoon hoor, maar ik heb het
over het innerlijk van ons. Is het dan niet vaak zo dat je beschaamd
staat, dat je mischien wel zegt: "Nou, laat ik me maar stil houden,
ik ga wel naar de dienst, ik ga wel naar de kerk, ik ga wel naar de
gemeente, maar nou eigenlijk..." Nou ja, dan komt er weer een verhaal,
maar je doet in elk geval niets meer. Je bent monddood geraakt, daardoor.
De Here wil je, en wil mij, als een heel bijzonder instrument neerzetten.
Jij hebt olie in jezelf. Door de Heilige Geest die in je is ben je een
soort bron. En dat kleine beetje olie van ons dat wordt een licht, dat
wordt iets bijzonders, dat wordt een kandelaar waardoor de Here Jezus
gaat schitteren, waardoor Hij gaat stralen. Dat is de opzet.
Nu komt er in de toekomst een hele moeilijke tijd zegt Openb. 11. Een
tijd dat Jeruzalem vertreden zal zijn door de volkeren. En uit alles
blijkt dat dat een hele moeilijke tijd gaat worden voor Israël.
Ze hebben het nu al moeilijk, maar ze hebben dan toch het gezag, min
of meer, over heel Jeruzalem. Ook al claimt een bepaalde groep het gezag
over Oost-Jeruzalem, feitelijk is het gezag nu in handen van Israël.
Maar er komt een tijd dat dat niet meer zo is. Er komt een tijd dat
de volkeren, de heidenen, de stad zullen vertreden. En dat spoort met
de profetiën uit het OT. Dat spoort met het boek Daniël, hoofdst.
9; 10; 11, ja het wordt een heleboel huiswerk van de week. Nou, het
hoeft ook allemaal niet in één dag he. U neemt een dag
vrij en gaat de profetiën lezen. Dan. 9; 10; 11 en 12. Dat spoort
met Zacharia, hetzelfde boek Zacharia, maar dan met hoofdst. 12 en hoofdst.
13 en hoofdst. 14. Het staat er allemaal precies. Echt waar. Ik heb
het niet bedacht, het is er. En dat zijn echt niet de enige plaatsen.
er staat dat er een tijd gaat komen dat Jeruzalem vertreden zal worden
door mensen, zelfs uit Nederland. Nou, vroeger dacht ik dat dat niet
kon, nu denk ik: Het is bijna zo ver. Dat is een enorm verschil aan
het worden. een resolutie in New York aangenomen, kan er best toe leiden
dat ook onze militairen, die al gereed staan, want dat zijn ze nu mee
bezig he, er moet toch een enorme macht gereed staan he, helemaal bewapend,
helemaal toegerust, die moeten in drie kwartier eigenlijk in Bagdad
kunnen zitten, dat is wat vandaag gebeurt he, dat moet allemaal klaar
zijn. Dus één knopje in New York omgezet en in Schiphol
of, weet ik veel, Soesterberg, daar draaien de motoren van onze vliegtuigen.
En ze gaan. Waar gaan ze naar toe. Naar het Midden-Oosten. Ze gaan zich
legeren in de vlakte van Meggido, Harmaggedon, ik kom er op terug, hoofdst.
16, maar het staat er. En ze gaan Jeruzalem binnen, ze gaan Jeruzalem
vertreden. Wie doen dat. Alleen de Nederlanders. Nee, met name Europa.
Misschien wel in NATO/NAVO-verband, dan zal Amerika ook een duit in
de zak doen, in elk geval, ze gaan. En het wordt voor, ja, voor Israël,
voor het volk van God een hele moeilijke tijd. Ze hebben geen enkel
stukje verweer, ze hebben niets. Alle moed ontzinkt, er blijft niets
over. Ze kunnen niet meer vertrouwen op wat ze zelf kunnen, dat is ook
voorbij. Nu nog denken ze: Nou, laat ze maar komen in Irak, wij hebben
het antwoord. Of laat ze maar komen uit, we weten wat we moeten zeggen.
Maar dan hebben ze geen antwoord meer. De bijbel zegt het. 42 maanden
lang, 3½ jaar, 1260 dagen lang, stond in Openb. 11 he, die beide
termen he, 42 maanden, 3½ jaar of 1260 dagen lang, ook 3½
jaar. Het gaat om 3½ jaar grote druk in Jeruzalem. een buitengewone
ellendige toestand daar. Dat staat hier, dat gaat komen. Dat moet nog
komen, dat zijn de dingen na nu. Ja, dat is best angstig. Als u dan
toch bidt, bid dan alstublieft dat er velen in Israël tot bekering
zullen komen en de Here Jezus, de Messias, die toevallig ook Joshua,
Jezus heet, dat ze de Here Jezus leren kennen als hun Heiland en als
hun Verlosser. Want dat betekent dat ze voor die tijd bij Hem zullen
zijn. Maar als ze zich niet naar de Here Jezus wenden komen zij in een
enorme druktijd terecht. Dat wordt de grote verdrukking genoemd. Die
3½ jaar lieve broeders en zusters komt niet zomaar uit de lucht
vallen, dat komt uit het boek Daniël. Aha, daarom huiswerk uit
Dan. 9? Ja, daarom huiswerk uit Dan. 9 want in Dan. 9 staat dat er nog
een keer 3½ jaar gaat komen. Staat dat er zo? Nou, het staat
er iets anders, er staat in Daniël, bijvoorbeeld hoofdst. 12: Tijd,
tijden en een halve tijd. Daar heb je het weer he. Tijd, 1 jaar, tijden,
2, dat is 3 en een ½ tijd, 1260 dagen, 42 maanden. Tijd, tijden
en een halve tijd. Het gaat komen. En het boek Daniël maakt scherp
dat dat een hele zware druktijd zal zijn. Dat noemen wij de grote verdrukking.
En die grote verdrukking valt in een periode van 7 jaar, altijd zo.
Mijn verjaardag valt ook in een periode van 7 jaar zal iemand wel zeggen.
Nou, u mag het zo zeggen, klopt natuurlijk altijd, maar ik bedoel het
een beetje anders. In het boek Daniël staat dat er nog een periode
van 7 jaar komt. Een periode die nog niet geweest is. Ik weet best dat
dat even slikken is voor mensen die dit nog nooit hebben gehoord, die
denken: Ja, ja, ja, he, hij goochelt met getallen en zo. Nou, dat is
niet zo. Het is niet een soort goochelshow. Dan moet u op een andere
zender afstemmen. Maar toch zegt de bijbel dat er tijden zijn. En wij
moeten op de tijden letten, en op de tekenen van de tijden. en die tijden
worden in Dan. 9 heel scherp neergezet. En er komt een periode van 7
jaar. En de helft van die periode van 7 jaar dan gebeurt er iets. Dan
wordt een hele nieuwe vreselijke afgodische dienst in Jeruzalem ingevoerd.
Daar zal een afgodsbeeld in Jeruzalem staan. We komen er op terug hoor,
in dit boek Openbaring ook, veelvuldig. Maar dit is een soort voorzet
een soort voorontvouwing. En u en ik krijgen nu zicht op wat er dan
gaat komen. In die tijd is de hele stad onder controle van de heidenen,
van de volkeren. Er is een tempel volgens Openb. 11. Maar de voorhof,
waar het altaar stond en het wasvat stond, de voorhof die is aan de
heidenen gegeven, om die te vertreden. Natuurlijk kan God niet vertreden
worden door de heidenen en kan Zijn Eigen woonplaats nooit, nooit, maar
dan ook nooit zover verlaagd worden dat ze dat onder zich of onder hun
controle plaatsen, dat kan niet. Maar toch, een vreselijke tijd. De
tempel, die blijft even voor God staan, dat was hoofdst. 11:1, daarom
heb ik dat de vorige keer er bij genomen. Hoofdst. 11:2 zegt dat de
voorhof van die tempel wel terdege vertreden zal worden. Dus, laat ik
maar zeggen, het eerste stuk, u herinnert zich dat he, als u een tabernakel-
of tempelplaatje hebt, daar is een soort voorhof en ja, daar stond het
altaar, het koperen brandofferaltaar. En daar stond het koperen wasvat
en dan kreeg je de eigenlijke gebouwen met het heilige en daarachter
het heilige der heiligen. Dat was eigenlijk de indeling. Nu, het heilige
en het heilige der heiligen blijft hier even los, dat komt in de volgende
hoofdstukken nog. Maar het eerste stuk, het publieke stuk zal ik maar
zeggen, waar iedereen nog, ja, komen kon, waar iedereen nog ingang had,
want je mocht er nog naar binnen, in het heilige mocht niet iedereen
naar binnen, maar in de voorhof mocht iedereen nog naar binnen, en daar
zouden de heidenen de zaak gaan vertreden.
En in die tijd zegt Open. 11, zullen er twee getuigen zijn. Nu heb ik,
ik weet niet hoe vaak horen zeggen of gelezen dat dat waarschijnlijk
Mozes en Elia zouden zijn. Nou, ik wil u niet iets ontnemen, maar dat
is niet zo. Uit niets blijkt dat dat zo is. Als u een indicatie wilt
van twee namen, want dat gaat u dan zoeken, dan zult u op z'n minst
Jozua en Zerubbabel moeten noemen. Want dat is het meest waarschijnlijke.
Die worden expliciet de olijfbomen genoemd . Dus als u dan toch namen
wilt dan zult u ze die namen moeten geven. Maar ik begrijp u wel en
ik begrijp ook iedereen wel die dit zegt. Omdat er vuur uit hun mond
komt en dat zou dan op Elia duiden. Of er is geen water, er zal droogte
zijn. En water zal in bloed veranderd worden, dus dat is precies wat
Mozes gedaan heeft in de oude tijd. Of wat Elia gedaan heeft in zijn
tijd. Dit zijn dus eigenlijk Mozes en Elia die dan terug komen uit de
heerlijkheid en die daar als getuigen van God optreden en dan weer zouden
gedood worden en daarna naar de Here zouden gaan. Het gaat er niet om
om namen te hebben. Het gaat er om dat in die er twee getuigen zullen
zijn. Maar die worden twee olijfbomen genoemd. En ik denk veel eerder
aan dat koning-priesterschap. De één is een priester en
de ander is een soort landvoogd, regeerder, bestuurder, dat koning-priester
element. En ik dank dat ik daar alle recht voor heb. En die hebben daar
getuigd. En als iemand hen schade wilde toebrengen dan kwam er vuur
uit hun mond. Dat is bij Elia ook nooit gebeurd en dat is bij Mozes
ook nooit gebeurd, dus ook in die zin ligt er geen link. Er is wel vuur
uit de hemel gekomen maar nooit vuur uit hun mond gekomen.
En er komt een beest uit de afgrond en uiteindelijk verslind dat beest
deze twee getuigen, als hun getuigenis voleindigd is, als hun tijd geweest
is. Daar in die tijd zullen er dus twee getuigen vertellen van de Here
Jezus. En zij zullen op een buitengewone manier daar staan als een getuigenis
voor de Here, om dat prachtige van de Here te etaleren. Maar daar is
een geweldige tegenstander. Een beest uit de afgrond. Dat moet u niet
verwarren met een beest uit de zee, Open. 13. U mag dat ook niet verwarren
met een beest uit de aarde, Open. 13. U mag dat ook niet verwarren met
een beest uit de hemel, Open. 12. Dit is Open. 11. Dit is een beest
uit de afgrond. Dat betekent dat de afgrond waar we het de vorige keer
over hadden, sorry, was niet de vorige keer, was de keer daarvoor, 9:1
en 2, dat beest uit de afgrond is alle demonische machten. Alle machten
en krachten van de duisternis, eigenlijk binnen in een beest geduwd,
in een soort behuizing geduwd, en de kracht daarvan zal zich keren tegen
die twee gezalfden. En zij sterven tijdens hun getuigen. Ze blijven
op de straten van Jeruzalem liggen. Nou, en die krijgt in die tijd een
benaming van Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is. je kunt
er gewoon niet onderuit welke stad het is. Het is gewoon echt Jeruzalem.
en het is bovendien zo verworden dat het gelijk is aan Egypte en gelijk
is aan Sodom. Dat betekent: De zonde slaat op een gigantische manier
toe. Daar sterven zij, daar hebben zij getuigd, daar hebben zij gesproken,
en daar zijn zij gestorven. Ze worden niet begraven. Dat is in het Oosten
gewoon dezelfde dag of hooguit een dag later, maar dat wordt niet toegestaan.
En zij worden daar, ja, gelaten. En alle camera's, dat is mijn vertaling,
zijn toevallig in Jeruzalem. Waarom, nou als de Nederlande soldaten
daar zijn dan is de NOS of de NOB daar ook. En als de Britse soldaten
daar zijn dan is de BBC daar ook. En als de Amerikaanse soldaten daar
zijn dan is de Amerikaanse omroep daar ook. En ze zijn er allemaal,
alle cameraploegen zijn meegestuurd, iedereen ziet het. In de huiskamers
van de Nederlandse burgers wordt door iedereen gezien: En nu zijn ze
eindelijk tot zwijgen gebracht. Dat is maar goed ook, want die schopten
overal, overal tegen, waren het nergens mee eens, wilden alleen maar
andere kleuren inbrengen. Dat is de tijd die we hier de grote verdrukking
noemen, een vreselijke tijd.
Na 3½ dag gaan ze weer overeind staan. En er komt een stem uit
de hemel: "Kom". En ze klimmen naar de hemel in een laddertje
die ze toevallig in hun bagage hadden. Welnee, in een wolk. En ik heb
dat al eerder geroepen he, alles wat naar de hemel gaat, gaat in de
wolk naar de hemel. In een wolk gaan ze rechtstreeks.... En de camera's
zien het en ze registreren. Het wordt feilloos geregistreerd.
Openb. 11, het geeft u een schets van wat er in de toekomst in Jeruzalem
gaat gebeuren. Hoe de stad van God, de stad van de grote Koning, het
Sion van de Heilige Israëls, dat zijn benamingen die in de bijbel
te vinden zijn, hoe die stad vertreden wordt, hoe die stad een vreselijke
afgodische situatie zal kennen. En hoe daar in die tijd getuigen zullen
optreden om te vertellen van hun Here. En op het moment dat God het
wil gaan die mensen echt naar de Here Jezus toe. Dat is de toekomst,
dat is wat er gaat gebeuren.
Nu vandaag. Ik heb die hele inleiding in feite nodig om u iets te vertellen
en dat voelt u. We kunnen duizend keer roepen dat het zo erg nog niet
is. Nou, gelukkig niet nee. Als het gaat om de lijfelijke situatie,
ik bedoel wat je lichaam betreft, wat vervolging betreft, en wat aardbevingen
en wat toestanden betreft zitten we gewoon heel gemakkelijk in Nederland.
En we kunnen een samenkomst beleggen hier in dit gebouw en er is eigenlijk
niets wat in de weg gelegd wordt. Maar gaat het vandaag wel om de Here
Jezus. En staan er vandaag nog getuigen op. Zal ik, het een anders zeggen.
Als de bijbel zegt in 2 Pet. 1, dat jij en ik een heilig priesterschap
zijn, iets verderop, twee teksten of drie teksten verder, dat jij en
ik een koninklijk priesterschap zijn, wat maken wij daarvan. Als wij
vandaag aangesproken worden door Petrus, dat we een apart gezet gezelschap
zijn, heel uniek, dat we voor God apart gezet zijn. Heilig priesterschap,
dat is dienst naar God toe, dienst naar Hem toe. Lofprijzing, aanbidding,
grootmaking van de Here Jezus. Niet alleen vragen: "Here wilt u
ons bewaren en helpen morgen want het is weer maandag, het is weer wasdag
en we zitten weer met..." Alstublieft, bid maar voor alles waarvan
u denkt dat er gebeden moet worden. Maar het gaat me erom dat u lofprijzend,
dat u eerbrengend, dat u God prijzend hier aanwezig bent, want dat wil
de duivel verhinderen. U mag hele lijsten vragen aan de Here, u vraagt
maar. "U krijgt toch geen antwoord", zegt de duivel, "dus
u vraagt maar, maakt toch niet uit, vraag maar." Maar een lofprijzend
gezelschap, een eerbrengend gezelschap hier op aarde, dat is uniek.
dat bestaat helemaal niet. En de Here God troont op de lofzangen. Hij
is niet zomaar Iemand, Hij troont daar waar de trompetten klinken. Dat
was de voorhof, waar het altaar stond, daar is het offer in al zijn
glorie zichtbaar, daar is de liefelijkheid van het offer, daar is het
wasvat, het woord van God. Dat terrein, het terrein van het offer, het
terrein van de lofprijzing, het terrein van het woord van God, dat terrein
wordt aangevallen. Ja dan, in die tijd zal die voorhof vertreden zijn,
zal er helemaal geen centimeter, geen vierkante centimeter meer voor
anderen zijn, vertreden. Maar nu dan, is die voorhof vandaag dan niet
het doelwit van de aanvallen van zo'n beest uit de afgrond. Zou de demonische
kracht en de demonische macht vandaag het niet gemunt hebben op dat
terrein waar u de Here prijst, waar u Hem groot maakt. Waar u ziet wie
de Here Jezus is. Waar u het offer bekijkt en waar u bewonderend stamelt:
"Here Jezus, U bent geweldig, U bent groots, en U bent heerlijk,
U bent majesteit." En waar het woord van God kracht heeft, war
het wasvat staat, waar de reinigende kracht van het woord van God ervaren
wordt. Dat terrein, ja dat terrein, dat is u en mijn leven, dat is dat
wat wij samen beleven, dat is vandaag ook doelwit van de aanvallen van
een beest uit de afgrond. En daar staan we dan. En we zeggen niets en
we doen niets. Blijf zitten waar je zit en verroer je niet. Nou, dat
kan niet. Dat kan echt niet. Er moet wat gebeuren. Als deze twee getuigen
in die tijd, waarin het nog veel en veel erger zal zijn dan vandaag,
zo staan, zo spreken, dan is de opdracht die u en ik hebben vandaag
precies zo. En ik ben er echt van overtuigd dat we het niet meer snappen.
De christenen zijn in slaap gesukkeld, zijn in slaap gebracht, slaappillen.
En de christenen zijn, ja, voortschrijdende, ja, hoe moet ik het zeggen,
schrompelaars, helemaal verschrompeld, en een beetje de koers kwijt.
En ze worden heen en weer geschud door van alles. En als onze voormannen
in Amsterdam op de universiteit dingen schrijven zoals recentelijk,
ja. Dan zeggen we: "Ja, die man heeft al eerder een boek geschreven,
dat klopte niet, en toen nog een boek en toen nog een boek en zo."
Maar voorlopig is dat weer discussiestuk numero 1 in heel veel catechesekringen,
stom genoeg. Maar wat doen we dan. Komt er dan vuur, ja, kan ik dan
vuur uit mijn mond laten komen. Nee, onze strijd is nooit tegen vlees
en bloed, nooit. het gaat nooit om mensen. Het kan nooit gaan om iemand.
Maar het is wel een strijd tegen overheden, tegen boosheden, tegen machten
in de hemelse gewesten, tegen zo'n beest uit de afgrond. En dat gaat
maar door. En waar is het uiteindelijk om begonnen bij dat beest uit
de afgrond. Om de verlaging van de Here Jezus en om te voorkomen dat
de Here Jezus wordt geprezen en verheerlijkt. En nu eerlijk zijn. Hoeveel
tijd in uw leven, in uw gebedsleven, laat ik dat zo maar eens zeggen,
is er voor lofprijzing. Ik bid ook voor mijn kinderen, voor mijn kleinkinderen
en voor, nou ja, dat lijstje. Ik bedoel het niet negatief maar gewoon.
Je hebt namen, je hebt gebeurtenissen, je hebt mensen. Maar echte lofprijzing.
Ik heb vanmorgen gesproken over Ps. 45: Mijn hart trilt van blijde woorden.
Ik draag mijn gedicht een koning voor. Ik kan me niet meer inhouden.
Maar als de Here Jezus nu eens zo voor je zou staan, vanmiddag, zou
je recht in je ogen kijken en zou zeggen: "Ik heb voor jou aan
het kruis van Golgotha Mijn leven gegeven." Wat ga je dan zeggen.
Here, mijn fiets is niet in orde. Ongeveer he, ik bedoel het niet naar
of zo. Maar dat is toch ongeveer waar het dan weer terecht komt he.
Weer van: Ja, ik mis iets of er is iets krom in mijn omgeving. Maar
ga je dan zeggen: "Here Jezus, ik ben zo geweldig blij met U, ik
wil u eren en ik wil U nu een nieuw lied gaan zingen." Ja, u bent
geen tekstdichter, ik weet het wel, en u schrijft ook niet, u bent ook
geen poëet, u hebt al moeite met de rijmelaarijtjes van Sinterklaas,
dus ik snap het allemaal best. Maar zou u dan de Here Jezus iets kunnen
zeggen, zou u Hem iets kunnen vertellen, iets willen vertellen. Hennie
zei vanmorgen: "Ik weet wat ik Hem ga zeggen: Here Jezus, U bent
de liefste. U bent de allermooiste." En we hebben samen in de auto
dat liedje gezongen, een heel oud liedje. Ik weet niet eens in welke
bundel het staat maar dat maakt niet uit. Maar de Here Jezus iets zeggen.
Weet je, de duivel is allang de voorhof binnengekomen. Daar waar wij
lofprijzing zouden moeten doen en daar waar het offer in al zijn glorie,
in al zijn schittering neergezet zou moeten zijn, waar alles schittert
en waar alles gaat om de Here Jezus en waar het woord van God, wasvat,
in zijn reinigende kracht aanwezig is, daar lijkt de vijand al vertredend
aanwezig te zijn.
Twee getuigen. Aan de ene kant een dienst naar God toe, een heilig priesterschap,
Hem prijzen. En aan de andere kant een koninklijk priesterschap. Dat
is naar buiten toe, dat is naar de mensen toe. Om de grote daden of
de grote deugden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft
geroepen tot Zijn wonderbaar licht. Dat is naar buiten toe, lofprijzend
en getuigend. Daar stonden ze die twee. En ze hebben geroepen, ze hebben
getuigd, en dat getuigenis is gehoord. Ook in de hemel.
Er komt een moment dat die twee getuigen hun getuigenis gehad hebben,
dat hun tijd, nu zeg ik het heel cru, maar ik bedoel het niet zo raar,
er op zit, en ze gaan naar de Here. "Kom hierheen op." Nou,
daar gaan ze. Hoe gaan ze dan verder. O, ze gaan verder met lofprijzen,
dat kan toch haast niet anders he. Ze gaan Hem eren en ze gaan Hem vertellen.
En ze gaan niet meer praten over al die verschrikkelijke negatieve dingen
die daar in de voorhof zijn gebeurd maar ze gaan vertellen wat vroeger
is gebeurd op het kruis van Golgotha.
Hier vinden we twee getuigen in een hele moeilijke tijd die nog toekomstig
is. Een tijd van grote verdrukking. Een tijd die 42 maanden duurt, 3½
jaar, 1260 dagen, een tijd, tijden en een halve tijd. Dat is die bijzondere
druktijd die hier omschreven wordt. En in die tijd getuigen deze twee
mannen. En jij en ik zijn vandaag aan de beurt. Dat is gewoon zo. En
u kunt duizend keer zegen dat het nog niet de grote verdrukking is,
ik zeg met u amen, dat is waar. Want als het de grote verdrukking zou
zijn zou Jeruzalem op dit moment gewoon plat gelopen zijn door alle
volkeren, en dat is niet zo, dat komt nog. Maar hoe gaan wij dan om
met deze dingen.
Nu, als dit gebeurd is, komt er een aardbeving, een soort eindafrekening,
en daar kom ik later op terug, want de details hiervan komen ook nog
in allerlei kleurrijkheid. U krijgt het echt helder aan het eind van
dit laatste bijbelboek. Maar hoe dan ook, een zevende engel gaat blazen
en dan ineens is daar een groot geroep, luide stemmen: "Het koningschap
over de wereld is gekomen aan onze Here en aan Zijn Gezalfde. En Hij
zal als Koning heersen tot in alle eeuwigheden." De Here Jezus
komt. Zijn regering komt, Zijn heerschappij komt, Zijn eer en Zijn glorie
komt. Vierentwintig oudsten die voor de Here zitten op de tronen die
gaan gelijk op hun knieën en gaan gelijk in aanbidding, wonderbare
dingen zeggen: "Wij danken u Here God." Dat is de derde keer
dat de oudsten neervallen en aanbidden. Eerste keer hoofdst. 5; tweede
keer hoofdst. 7; derde keer hoofdst. 11, hun tronen, weer een aanbiddingsdienst,
het blijft een aanbiddingsdienst. Lieve broeders en zusters, over wat
er daarna in de hemel gaat komen ga ik de volgende keer met u praten
als u wilt, als ik het kan, de Here het vergunt, want dat bedoel ik
eigenlijk. Maar ik ga u nu alvast zeggen: "Zodra dit glorieuze
zichtbaar wordt dan houden de oudsten het ook niet meer en ze gaan God
prijzen." En ik heb u in het begin van deze series gezegd dat wij
die oudsten zijn daar in de hemel. Dat we onszelf daar in die tronen
mogen zien zitten. En dat we dan gewoon lofprijzend in de hemel verder
gaan. Daarom zie ik zopas: "Wat gaan ze daar in de hemel doen.
Lofprijzing. Weer verder met eer brengen aan de Here Jezus."
Openbaring van Jezus Christus. Ineens een luide stem: "En toch
is Hij Koning. Toch is Hij de Here." Ook al hebben de volkeren
ogenschijnlijk alle macht. Ook al kunnen ze getuigen doden. Ook al kunnen
ze van alles uitdenken. Toch is Hij de Here. Toch is Hij de Heerser.
En het is zo belangrijk voor gelovigen om vandaag te zeggen: "En
het kabinet in Den Haag, dat is niet het eind. Wat ze in Washington,
c.q. New York beslissen, dat is ook niet het eind. Wat ze in Brussel
of in Straatsburg allemaal overleggen, dat is ook niet het eind."
En de gelovige kijkt verder. De gelovige weet meer. De gelovige kan
vandaag vertellen: Ja maar, er is een Koning. en die Koning is niemand
minder dan de Here Jezus die Zijn leven voor mij heeft gegeven. En die
mij zo ongelofelijk liefhad dat Hij niet wilde dat ik verloren zou gaan
maar dat ik voor altijd bij Hem zou zijn. Weet u dat de Here Jezus veel
meer is dan Iemand, zomaar uit de straat. Dat Hij veel en veel groter
is dan wij vermoeden. Dat Hij groter is dan mensen van Galilea, dan
mensen in Jeruzalem, dan groten der aarde, groter is dan de allerhoogsten
en de allerrijksten. De Here Jezus, Hij schittert en Hij troont overal
bovenuit.
Twee getuigen zullen in de toekomst zeggen: "En Hij is het, en
de satanische machten niet." En wat jij en ik vandaag moeten, c.q.
mogen doen is: Hij is het. Wat is ons hoogste doel. Carrière,
vooruitgang, nou ja, welstand, is dat het. Het breekt je bij de handen
af. Dat weet iedereen al te vertellen die wat ouder is, want er zijn
altijd al debacles geweest. Het hoogste is toch de Here Jezus. En als
Hij niet meet numero één is in je leven, wie is het dan.
En als het in onze levens niet meer gaat om Hem. Als het in onze tijd
niet meer gaat om Hem, wie heeft dan de tijd en wie heeft dan de plek
ingenomen. Ik hoop dat je opnieuw gaat zeggen vandaag: "Ik zal
niet één van die twee getuigen zijn." Maar de Here
Jezus zegt wel tegen jou; "En gij zult mijn getuigen zijn."
Jij en ik zijn vandaag in de voorhof neergezet om van die dingen te
getuigen die vroeger in de voorhof stonden. Nog een keer. Dat is het
altaar, het kruis van de Here Jezus. Dat is het offer op het altaar,
de Here Jezus aan dat kruis. Dat is het wasvat, de reinigende kracht
van het water, of anders met Ef. 5, de wassing des waters door het woord.
Dat is wat wij vandaag hebben. En temidden daarvan staan we. En we hebben
deze geweldige belangrijke dingen in onze handen, in onze harten gekregen.
En u denkt misschien met Jozua die hogepriester uit Zacharia: Ja, het
is allemaal niet zo goed met me. Ik faal vaak. Klopt, niet omdat ik
het weet, maar omdat ik mezelf ken. En misschien schaam je je wel. Maar
de Here zegt: "Ik zie je in een statiegewaad." En misschien
denk je wel: Ja, maar als ik nu die en die opleiding heb en dat en dat
vermogen heb, dat en dat stukje gave zou hebben dan... "Nee",
zegt de Here tegen Zerubbabel, "niet door geweld, niet door kracht,
maar door Mijn Geest." Daar heb je het. Het werk van de Here Jezus
en de Geest van Christus in u, dat is het geheim. En als die beide dingen
ons vandaag niet gaan motiveren dan wordt het niets, echt niet, dan
kun je er wel mee stoppen. Maar als die dingen wel gaan gebeuren, dan
staan we ook vandaag, dan zijn we bijna onaantastbaar. Waarom, omdat
het niet meer om ons gaat. "En dan zou je geld en goed kunnen nemen",
zei Luther vroeger al een keer he, "Neem geld en goed ons af",
hij ging nog verder, "delf vrouw en kinderen het graf", dat
ging heel ver he, 31 oktober, dat ging heel ver. "Maar we erven
koninkrijken." Je kunt ons niet aantasten. Wij zijn onaantastbaar.
Dat is wat hier staat. En ook al zou het lijken dat de overwinnaar toch,
laat ik maar zeggen, zegeviert, dan ineens: "Kom hier op",
en iedereen staat verbaasd. Iedereen staat na te kijken en geeft God
de eer. Uiteindelijk komt het daar op neer. De Here zegene u en mij
in alles, amen.
|
|