|
|
07. Door het geloof in Jezus Christus
|
|
|
1] Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze
voorvader naar het vlees, verkregen heeft? Ik denk dat ik
alle avonden ook gezegd heb dat de taal nou niet bepaald gemakkelijk is.
Je moet het misschien wel drie keer, vier keer lezen, om te begrijpen
wat er staat. En misschien zeg je: “Ja maar dan heb ik ook nog wat
uitleg nodig.” Nu, ik hoop dat je die uitleg vanavond krijgt. De vorige
keer mochten we zeggen dat er maar één oplossing is, en dat is de
Genadetroon. Het Verzoendeksel, zo vonden we in Romeinen 3 vers 25. Die
prachtplaats waar destijds het bloed door de Hogepriester op de Grote
Verzoendag werd gebracht, die nu bereikbaar is door het geloof in onze
Here Jezus. God heeft die Genadetroon gesteld. God heeft dat Zoenoffer
of dat Zoenmiddel gegeven. En dat is de Here Jezus, die voor ons en onze
schuld aan het kruis Zijn leven wilde geven. Daarover kom je echt nooit
helemaal uitgedacht. Ik denk niet dat we dat ooit bereiken hier op
aarde. En misschien zijn er herhalingen van vorig jaar; als je denkt aan
Goede Vrijdag – wat mij betreft Goede Donderdag, want sommigen zeggen:
“Dat moet donderdag zijn geweest.” Nou, dat is goed, dan maken we van
donderdag Goede Donderdag. Maar het is wél gebeurd! Het gaat dus niet
meer om de precieze datering, het gaat erom dat we in de gaten houden en
in onze harten omdragen, dat de Here Jezus echt gestorven is. Hij is de
perfecte Knecht van God. Iets uit de preek van vanmorgen staat nogal
helder voor mijn gedachten. En dat is: als God Zijn Tien Woorden geeft –
de Tien Geboden, de wet, Exodus 20 – dan is het resultaat dat het volk
angstig is en op afstand staat. Zijn ze bang voor God geworden? Nee,
omdat God Zichzelf openbaart – in de wet laat God zien wie Hij is, Zijn
wezen wordt zichtbaar – maar als je ziet wie God is, dan blijf je niet
meer zo gewoon praten. Dan sta je op afstand, dan raak je misschien
onder de indruk, voor het eerst of voor de zoveelste keer, over wie Hij
is. Het volk staat op afstand en is bang. En dan zegt de Here
merkwaardig genoeg in Exodus 20: “En tóch heb Ik een plaats, waar Ik kan
staan en zegenen.” En dan gaat de Here iets zeggen over een altaar. Dat
is héél merkwaardig in het Oude Testament. Na de wetgeving, na de enorme
proclamatie van Gods glorie, van Gods heerlijkheid, van Gods majesteit –
iedereen schrikt vanwege al die dingen die dan over je heen komen – dan
ineens zegt de Here God: “En toch heb Ik een plaats waar Ik kan staan en
zegenen.” En die plaats blijkt het altaar te zijn. De Here God zegt:
“Nou moet je niet dat altaar gaan bewerken met je eigen houweel, met je
eigen gereedschap, daar moet je met de vingers afblijven. Dat moet je
niet gaan fatsoeneren, dat moet je niet gaan modelleren. Daar moet je
echt van afblijven, dat moet je zo laten staan. Blijf eraf met je
vingers.” Nou, die boodschap mag ook wel eens gebracht worden vandaag.
Dat je van het kruis af moet blijven. Dat je van het altaar af moet
blijven. Dat je daar niet aan moet aan frunniken, niet iets
appetijtelijks voor nu, van moet gaan maken. Maar het gaat mij om het
volgende: als de Here God gezegd heeft dat het altaar de plek is waar
Hij kan staan en kan zegenen, zegt Hij onmiddellijk daarop dat Hij een
Hebreeuwse knecht ziet. Voor ons is dat een, ja, een absoluut
onbegrijpelijke overgang van het ene onderwerp naar het andere
onderwerp. En toch is het niet onbegrijpelijk, want feitelijk wordt daar
al gezegd: “Kijk eens, áls er een knecht is, die zijn heer, zijn vrouw,
zijn kinderen, zó lief heeft, dat hij niet als vrij man wil weggaan, dan
zal die knecht bij de deurpost worden gebracht; zijn oor wordt met een
priem doorboord, aan de deurpost geprikt en die knecht zal eeuwig knecht
blijven. Wie is die knecht? Wie is die ene die als vrij man had weg
kunnen gaan? Wie is degene die hier op aarde levend, zó naar de hemel
had gekund? Dat is de Here Jezus, niemand anders. We hadden dat nooit
gered, niemand van ons. Maar Hij kon het. Hij had God gediend, geen
zonde gedaan, geen zonde gekend. Hij had zo naar de hemel kunnen gaan.
Maar Hij zei: “Ik heb Mijn God en Ik heb dat volk van God zó lief, dat
Ik niet als vrij man wil weggaan.” En Hij liet Zijn oor doorboren. Dat
is de taal van Jesaja 50, daar gaat het ook over de Knecht des Heren:
“Gij hebt Mij geopende oren gegeven.” Dat is de Here Jezus. De Here
Jezus is voor jouw en voor mijn schuld, naar het kruis gegaan. En Hij
wilde daar de schuld vereffenen, Hij wilde daar ook tot zonde gemaakt
worden. Hij wilde God eren. Hij wilde in alles God gelegenheid om Zijn
hand in vrede uit te strekken. De Here Jezus. En mijn schuld is
vereffend. Niet een klein beetje vereffend, álles is weg. De totale
schuld is weg, er is niets overgebleven. De Here Jezus heeft het gedaan.
Het is zó wezenlijk en zo belangrijk dat wij, gelovigen van vandaag,
leren zien dat de Here Jezus álles, maar dan ook álles volbracht heeft!
En dat niet alleen een soort soldatenspel er geweest is, waarin Hij
geminacht werd. Of dat er een geseltoestand is geweest van jewelste,
waar je de gruwelen van krijgt als je daar naar kijkt in zo’n film als
de Passion of the Christ, en je ziet wat er daar is gebeurd, dan denk
je: “Alsjeblieft, nee, nee toch! Dit kán toch niet! Dit bestaat toch
niet!” Maar uw en mijn schuld is niet weg omdat Hij Zich liet geselen!
Uw en mijn schuld is niet weg omdat Hij bespuwd werd, bespot werd,
geslagen werd! Ook niet omdat spijkers door Zijn handen en door Zijn
voeten geslagen werden! Ook niet omdat uitgerekt aan dat
verschrikkelijke kruis hing! Professor Smalhout heeft vroeger een keer
een hele verhandeling gehouden over het fysieke, het lichamelijke lijden
van de kruisiging; nou, dat is een soort standaardwerk geworden, maar
hoe dan ook, vreselijk is het! Geen lucht meer kunnen krijgen, uit
elkaar getrokken worden…op een vreselijke manier een marteldood sterven.
Maar u bent niet gered omdat de Here Jezus die pijn daar aan dat kruis
had. Ik wil het niet cru zeggen, maar er zijn zoveel meer mensen met
dezelfde pijn geweest. Op datzelfde moment werden er nog twee mensen
gekruisigd, die hebben dezelfde pijnen gehad. Of die gegeseld waren
vooraf, dat weet ik niet, maar er zijn ook anderen misschien wel
gegeseld. Maar uw en mijn oplossing ligt in die drie uren van
donkerheid, waar de Here Jezus tot zonde gemaakt werd, alsof het
allemaal Zijn schuld was, alsof Hij de oorzaak was van al die
verschrikkingen. En dáár, in die drie uren van donkerheid, heeft Hij
voor jou de schuld willen betalen. Als jij je schuld nu eens stelt op
honderdduizend euro – voor de één is het een fluitje, maar voor mij is
het een gigantisch bedrag, maar goed, stel maar iets, je mag het ook op
honderd miljoen zetten, maar schat je schuld eens in – dan heeft de Here
Jezus, die schuld, daar willen vereffenen en 20% extra betaald. Ik zeg
het voor de zoveelste keer, omdat ik daar zo geweldig dankbaar voor ben.
Dat de Here Jezus niet heeft gezegd: “Vader, als Ik nu eens de helft
bied voor Dato, is het dan in orde?” Het lijkt wel een soort gehandel
met de bank. Als je failliet bent en je hebt honderdduizend euro schuld
en je biedt vijftigduizend, nou ik denk dat de bank zegt: “Akkoord!” Dat
denk ik, zo gaat het vandaag. Is het zo gegaan met de Here Jezus in de
richting van de heilige God? Nee. Alles. Zelfs meer dan alles. Een
vijfde daaraan toegevoegd, 20% daaraan toegevoegd. Adembenemend is het
als je denkt aan de Here Jezus. Als je denkt aan de schuld die vereffend
moest worden en vereffend is… voor wie gelooft. Is dat een addertje
onder het gras? Is dat een soort clausule: “Ja, dat is niet voor
allemaal! Dat is alleen maar voor die hele superlui!” Neen. Dit is
bedoeld voor allemaal. Vraag is alleen: Geloof je dat? Ja, dan wordt het
moeilijk. Dan beginnen we te beredeneren: “Ja, ja, ja… als ik nu mijn
schuld eens wist!” Nou, of het daar dan anders van wordt, ik geloof er
geen steek van, maar daar beginnen heel wat mensen over. Die willen
eerst in de schuld komen. Die willen eerst een soort schuldopsomming
zien te krijgen van alles, alles, van het begin tot het einde. Kom je
daar nooit mee klaar, vanaf het moment dat ze klaar zijn, dan denken ze
dat ze het nog niet zo slecht gedaan hebben, ja dan komt er al weer
schuld bij. Met andere woorden: dan kom je nooit uit, helemaal nooit!
Maar de bijbel vraagt niet om je schuld helemaal in kaart te brengen.
Dat lukt trouwens nooit, want je weet niet eens hoe erg het is, je kent
de koers van de hemel niet, je kent de heiligheid van God niet. Hoe zou
je dan kunnen weten hoe hoog jouw schuld is? Niemand weet dat. Maar de
Here Jezus weet het wél. Hij is de enige Taxateur – als ik dat zo zeggen
mag - die deze schuld kon inschatten. En dat heeft Hij gedaan! Hij
kende de koers. Hij kende de heiligheid van God, de heilige eisen van
een God die Verterend Vuur is. Hij kende het. Hij wist het. En Hij zei:
“Dato, Ik ga voor jou betalen.” En Hij vraagt mij: “Geloof je dat?” Is
dat nou moeilijk? Nou, als je echt in de penarie zit en er is iemand die
jouw schuld wil overnemen, dan denk je: tjonge, dat is mazzel. Ja, een
beetje Jiddisch, maar goed, dat is dan hartstikke fijn. Toch? En wat
moet je dan zeggen? “Ik ga je alles terugbetalen hoor!”, terwijl je weet
dat je geen halve euro voor elkaar krijgt om te betalen. Want je wilt
niet uit genade leven. Je wilt niet genadebrood eten. Dat ligt ons niet.
Wij willen verdienen, wij willen er wat aan doen. Ik zeg dit – broeders
en zusters, beste vrienden – met het oog op Romeinen 4. Gelovigen moeten
weten dat hun schuld vereffent is. En dat dit alleen maar kon door het
offer van onze Here Jezus Christus. Omdat Hij de schuld wilde betalen,
ook de schuld kende, de hoogte kon inschatten. En Hij heeft het gedaan,
onze Here Jezus. Gelovigen moeten weten dat ze dat ooit geloofd hebben.
Dat ze dit als een geweldig genadeaanbod van God aangenomen hebben. En
nu kan ik eromheen draaien, maar iedereen zou een keer – en dat hoeft
van mij niet hardop in deze dienst – maar iedereen zou een keer moeten
zeggen: “Dank U Here Jezus, dat U dat ook voor mij wilde doen.” Ja, ik
geloof, ja ik geloof, dat Jezus voor mij stierf. Ja, ik geloof, ja ik
geloof dat Jezus voor mij stierf. En dat Hij aan dat kruis, mijn heil,
mijn behoudenis, mijn redding, verwierf. Dat is een stukje belijdenis en
met de woorden van een lied. En misschien zingen we dat lied met Goede
Vrijdag of Pasen. Een mooi Paaslied is het ook. Maar ga dan nu eens,
vanavond, tegen de Here Jezus zeggen: “Here Jezus, dank U wel, dat U dat
voor mij, voor mijn schuld, wilde doen. U hebt mijn schuld betaald. U
hebt voor mij alles in orde gebracht. En ik geloof.” De kern van
Romeinen 4 is, dat het niets te maken heeft met werken. Het ging erover:
Hebben de Joden dan geen voorrechten? Hebben die lui dan.. die hebben
toch de wet, de verbonden? Ja, uit hen is, wat het vlees betreft, de
Christus! Er is nog al wat voorrecht van de Jood op te sommen, als je
dat op een rij zou zetten. Nou, als het om het heil gaat – bedoelt de
schrijver te zeggen – hebben ze niets. Zij moeten ook geloven. De
niet-besnedenen, de heidenen – de lui uit Veenendaal, laat ik dat zo
maar eens formuleren – die moeten door het geloof in de Here Jezus gered
worden. En de besnedenen? Ja, die moeten ook door het geloof in de Here
Jezus gered worden. Als jij je gaat laten voorstaan op iets van een
Joodse afkomst, dan grijp je mis. Want dat is niet zo. En dan gaat de
opsomming komen, dat er maar één Zoenmiddel is, dat er maar één
Oplossing is. Er is maar één Genadetroon. En vervolgens: Nou, als ik je
nog een bewijs extra wil geven, dan zal ik het verhaal van Abraham
vertellen, want dat is Romeinen 4. En Abraham geloofde God, en het werd
hem tot gerechtigheid gerekend. Zie je wel? Abraham geloofde God. De
besnijdenis, ja die kwam later. Nog een behoorlijk stuk later zelfs. En
de wet, ja de wet, dat is de wet van Mozes toch, zo zeggen we dat
gemakshalve, en die kwam nóg weer honderden jaren later. En als je nu
dat geloof van Abraham eens gaat zien, dan is dat model voor jou, voor
mij, voor de niet-besnedenen, voor die Veenendaal-lui, want Abraham
geloofde God, en God rekende hem dat toe als een rechtvaardige daad! En
de besnedenen, de mensen uit het Joodse leven, ja, ja die kunnen ook
naar Abraham kijken. Was Abraham toen besneden? Nee, die was toen niet
besneden. Had Abraham toen de wet gehouden? Nee, die moest nog komen.
Met andere woorden: Abraham geloofde God, dat staat vóór de wetgeving,
dat staat vóór de besnijdenis. En daarom is die Abraham in zijn geloof,
model voor onbesnedenen en voor besnedenen. En dat is heel belangrijk.
Want niet op grond van… ja, als het op grond ván was – zegt Romeinen 4 –
dan was het een soort loon geworden. Nou, als iemand nou werkt de hele
week, en hij krijgt dan loon, is dat genade? Nee. Dat had hij verdiend,
dus dat is geen genade meer. Dat had je toch afgesproken? En als de wet
er dan eens bijkomt? Nou, dan wordt het nog beroerder, zegt Romeinen 4,
want de wet doet zonde kennen (dat was in hoofdstuk 3 al) en in
hoofdstuk 4 staat dat het dan ook nog een overtreding gaat opleveren.
Want behalve het feit dat je niet goed handelde, komt er nog iets bij.
Dat is moeilijk voor ons. Maar stel dat je moreel zover bent dat je
zegt: “Ik moet maar niet zonder licht hier, door deze straat, door deze
Dennenlaan gaan fietsen vanavond als het donker is. Dat is niet goed,
dat is niet goed. En voor mijn geweten kan dat niet.” Nou, dan doe je
het niet. Maar stel dat oom agent daar ergens op het bureau zit, dat het
niet mág, en je rijdt daar door die Dennenlaan, dan is het behalve dat
geweten dat zegt: “Het klopt niet”, is het ook nog de wét die zegt: “Dat
kan niet, dat mag niet!” Dat komt er dus bij, dat komt er nog overheen.
Dus de wet die zonde doet kennen, maakt het niet makkelijker, maakt het
in feite alleen maar moeilijker. Hier. Dat is de taal. Wanneer geloofde
Abraham God? Nou, hij stond aan… De Heer heeft hem meegenomen naar het
strand en gevraagd of hij die korreltjes kon tellen. Want Abraham, die
was wat ongerust. Hij zegt: “Ik heb een geweldig vermogen, maar ik heb
geen eigen zoon, en mijn knecht Eliëzar, die Damascener, die meneer uit
Damascus, die Syriër, die krijgt dan de hele erfenis straks. Dat is een
vreemdeling! Want ik heb geen kinderen, ik heb geen nazaat!” En dan zegt
de Here: “Moet je eens luisteren, iemand uit jouw eigen lijf”, beetje
plat maar dat staat er wel, “die zal je erfgenaam zijn! En kijk nu eens
naar de sterren van de hemel! Niet te tellen bij een heldere avond. Kijk
nu eens naar de korreltjes zand. Niet te tellen. Zo, zo talrijk zal jouw
erfgenaam zijn. En Ik zal je dit land geven, dit gebied geven. En dat
gebied, dat reikt van Middellandse Zee tot aan de Nijl en tot aan de
Eufraat!” Echt, daar staat het, in Genesis 15 hoe geweldig dat gebied
zal zijn voor Abraham en zijn nazaat. “Dit zal Ik je geven.” En hij
geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Hij geloofde
God. “Wat God zegt, dat is waar. Here God, ik geloof U!” En de Here God
zei: “Dat bedoel Ik Abraham. Dit is voor Mij een rechtvaardige daad, als
je dit gelooft.” En dat deed hij. En Romeinen 4 zegt: dat heeft hij
volgehouden. Maar zijn er nooit dipjes geweest in dat geloof? Jawel, die
zijn er misschien wel geweest. Maar in Jacobus, Jacobus 2, daar wordt
diezelfde geschiedenis herhaald – weet je wel: hij geloofde God en het
werd hem tot gerechtigheid gerekend – maar Jacobus spreekt over wat
anders. Wanneer bleek nu – zegt Jacobus – dat Abraham God geloofde? Dat
bleek toen hij zijn zoon op het altaar legde. Dat is een hele andere
redenatie. Een hele andere bewijsvoering. Toen bleek dat Abraham God
geloofde. Hij legde zijn zoon op het altaar, overwegende dat God hem uit
de doden zou gaan opwekken. Nou, dan moet je héél ver gaan. Dat geloof,
dat soort geloof, tegen álles in, tegen beter weten in, tegen álle
kritiek in, tegen álle schriftkritiek in, tegen alle modernistische
theorieën in…dát soort geloof zou mijn hart, mijn leven moeten
kenmerken. Dat geloof, God geloven, dat zou mijn leven moeten gaan
beheersen. Abraham heeft dat gekend en dát geloof wordt model gezet voor
jou en voor mij. In de dagen van Abraham, dus toen God hem dit zei,
heeft Hij gezegd: “Abraham, neem een driejarige koe, deel hem
middendoor; neem een driejarige geit, deel hem middendoor; neem een
driejarige ram, deel hem middendoor; neem een tortelduif en neem een
andere duif, een gewone duif. En leg ze daar neer, de delen tegenover
elkaar, een soort pad ertussen.” En dat heeft Abraham gedaan. Toen de
roofvogels kwamen – zegt Genesis 15 – toen joeg Abraham die roofvogels
weg. Abraham viel in slaap, in een diepe slaap. Hij zag de Here God. Is
kennelijk wakker geworden, want de Here God gaat dwars door die stukken;
als een Vuuroven en als een Vurige Fakkel, zo trekken ze door die
stukken. En Abraham geloofde God. Ik heb dit misschien vandaag wel vijf
of zes keer gelezen. En ik zou je zo graag deelgenoot willen maken van
mijn eigen gevoelens: Hoe dan, Heer? Hoe dan Here? Hoe maakt U waar, dat
wat U gezegd hebt? Leg die dingen maar tegenover elkaar. Zoals dat ene
deel van die driejarige koe bij dat andere deel hoorde, een soort
eenheid vormde, zoals het ene deel van een ram en het andere deel van
een ram, ene deel van de geit en andere deel van de geit, zoals die twee
duiven bij elkaar hoorden; zoals het eigenlijk een eenheid had moeten
zijn. Ze zijn uit elkaar geschoven. Tegenover elkaar gelegd. En nu is er
een soort pad tussendoor. En de Here God verbindt Zich, en zegt: “Zó,
zoals die delen aan elkaar horen, zó verbindt Ik Mij aan jou!” Zal ik
het anders zeggen? Zoals het offer, want al die beesten die daar in
tweeën gedeeld zijn – driejarige koe, een ram, een geit, een tortelduif
en een gewone duif – ze hebben allemaal een plek in de offers van God.
Zoals die dieren daar in die oude dag, de offerdieren voorstellen en de
glorie van God eigenlijk willen etaleren, zo is het vandaag ook. Op
grond waarvan kunnen wij zekerheid hebben? De zekerheid van het geloof.
Is dat omdat we de goede kerk gevonden hebben? Neen. Ik weet niet of die
te vinden is. Maar ook al honderd, honderd keer, misschien wel duizend
keer gezegd: “Als je hem hebt, ga er dan alsjeblieft niet naar toe, want
als jij daar komt, dan gaat het met die goede kerk weer niet goed. Want
jij komt er.” Het gaat niet om de leer van de kerk. Het gaat niet om de
leer van iemand. Het gaat ook niet om de leer van onze Maranathagroep
beweging. Waar het wel om gaat is: dat je ontdekt dat op grond van het
offer, God Zich aan ons verbindt! Toen aan Abraham verbond en een
verbond sloot. “Ik zal je dát gebied geven en dit komt aan je lijfelijke
erfgenamen, en ze komen talrijk uit Egypte.” Dat duurt een poosje – daar
al is sprake van 400 jaar, daar al is sprake van een enorme vuuroven,
maar er is ook sprake van een vurige Fakkel! Het is alsof het Licht van
God Zelf daar tussendoor gaat en deze dingen aan elkaar brengt. Beetje
moeilijk beeld misschien, maar je ziet het daar gebeuren. En zoals ik
zopas zei: “Als het om het altaar gaat, blijf er dan met je vingers af!
Ga het niet modelleren of fatsoeneren. Ga het niet bewerken.”, zo zeg ik
nu van het offer: “De roofvogels die moet je wegjagen! Die moeten weg.”
En die komen, vanaf het moment dat je het over de Here Jezus hebt, en
over Zijn offer hebt en over Zijn werk en over die drie jaren hebt.
Misschien – driejarige koe en die driejarige ram en die driejarige geit
– zouden dat de drie jaren zijn van onze Here Jezus? Ik denk het. Zijn
offer. Maar de roofvogels zullen altijd proberen om daar iets van weg te
kapen. Jaag ze weg! Er blijft Een over, de Here God Zelf. De belofte die
Abraham daar kreeg, in Genesis 15, betroffen het land. Dat is dé
basisbelofte voor Israël. Als je het over de Profetie wilt hebben, dan
kun je alleen maar daar beginnen. Daar heeft God toegezegd: “Dát land,
dat gebied, zál Ik jullie geven. Geen voorwaarden: “Als je goed je best
doet…” Niet: “Als je de wet houdt...”. Niets van: “Als jullie je
allemaal keurig en op tijd laten besnijden…”. Niets daarvan. Zonder
enige voorwaarden heeft God dát gebied aan Zijn volk gegeven. Punt. Is
dat ooit herroepen? Nee! Is dit weggegaan omdat het volk zei: “Wij
willen niet dat Hij Koning over ons is!”? Neen! God kán Zichzelf niet
tegenspreken. Dat is nóg zo! Gods beloften ten aanzien van Israël,
liggen dáár. En Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid
gerekend. Maar waarom wordt dit nu in Romeinen 4 aan ons gezegd? Wij die
in de volstrekte zin, geen deel hebben aan een vierkante meter grond
daar ergens in het Midden Oosten. Onze zegeningen zijn van een heel
ander kaliber. Zijn hemels, zijn bij de Here Jezus, zijn in het Huis van
de Vader. Wij hebben niet een vierkante meter daar ergens. Onze
zegeningen zijn Christus Zelf. Hij is onze zegen. Hij is onze Hoop. Hij
is ons Alles. De Here Jezus is het. Maar waarom wordt dit nu gezegd aan
ons? Kijk, zoals Abraham – toen ging het over aardse zegen – zó God
geloofde (en God rekende het hem toe als gerechtigheid), God zei: “Dit,
Abraham, is voor Mij een rechtvaardige daad van jou. Dit bedoel Ik, dit
wil Ik graag.” Zó wil de Here ons vandaag, zo ver zien te krijgen, dat
we zeggen: “Dat offer van de Here Jezus, dát geloof ik. Dat geloof ik.
En ik neem dat gelovig aan. En de roofvogels? Weg ermee!” En het heeft
te maken met het offer van onze Here Jezus Christus op het kruis van
Golgotha. Dáár ligt de basis voor de zegen van Israël in de toekomst,
dat blijkt ook nog een keer, maar daar ligt ook de basis voor jou en
voor mij. Want de enige bron van zegen is de Here Jezus. En dat moet je
geloven. Dat moet je niet gaan beproeven in de zin van: “Ik Zal mijn
best doen, ‘k wil toch proberen of ik een zegen kan krijgen.” En maar
ploeteren. En dan zijn mensen heel vroom bezig, continue, om te scoren.
En dat lukt niet. Het breekt iedere keer weer bij de handen af. Ik ken
geloofsgemeenschappen die de heiliging heel hoog in hun vaandel hebben
staan, en die een soort, ja een heel soort systeem hebben bedacht dat ze
uiteindelijk een soort ladder aan het beklimmen zijn en ze komen
uiteindelijk in de hemel, door het vlees heen. Ze hebben in hun
literatuur, in hun boekjes, mensen met naam en toenaam, die door het
vlees heen zijn gekomen. Die hadden geen last meer van de zonde, hebben
geen problemen meer. Die hebben al die dingen niet meer. Waarschijnlijk
hebben ze ook geleefd als een kluizenaar, niemand gezien, want als je
mij zag dan was het al weer mis geweest. Maar ik heb dat een keer
helemaal onderzocht. Ik ben met ze in gesprek geweest. En het is me
volstrekt helder geweest en geworden, dat er bij die mensen twee dingen
misschien niet goed waren. Slechts twee? En dat was hun geheugen en dat
was soort ijzeren plaat voor hun… als begrijpt wat ik bedoel. Het gaat
niet goed. Het kán niet. Zullen we nu eens stoppen met alles, álles te
doen om in de hemel te komen? Om bij God in een goed blaadje te komen?
Om de wet te volbrengen uit dankbaarheid – om die te doen uit
dankbaarheid? Ja, natuurlijk willen we de Here dienen. Ik ga de wet niet
wegschuiven. Ik ga niet zeggen dat dit voorbij is. Ik ga dat nooit,
nooit zeggen, dat is niet zo. De wet is heilig en de wet is goed, maar
niet om in de hemel te komen. Wel om de Here te leren kennen. Om er
achter te komen Wie Hij is. Dat wel. Maar stop nu eens met álle
activiteit van jezelf. Geloof. Abraham geloofde God en het werd hem tot
gerechtigheid. En jij, gelooft God! Als hier staat als een conclusie,
dat God Hem, Jezus, uit de doden opgewekt heeft, die is overgeleverd om
onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging. Geloof je dat?
Ja maar… Ik weet het. Vorige keer ook gezegd. Daar zitten we zó in
vastgeworteld! Iedere keer beginnen we weer met excuses. Iedere keer
beginnen we weer met verhalen: “En dominee A heeft gezegd…” en: “Er is
verschil in genade, en er is een voorwaardelijke…” Enfin, daar gaat ’t
ie weer. Hele theorieën over soorten genade die er bestaan. Maar hier
gaat het niet meer over genade, dat was hoofdstuk 3. Hier gaat het over
geloof! Geloof je dat? Niet eromheen draaien! Niet zeggen: “Ja, ik zal
er nog eens over nadenken.” Dat is tenminste nog wat, maar eigenlijk zal
je hier op je stoel zittend, moeten zeggen: “Dank U Here Jezus, dat U
dat voor mij en voor mijn schuld hebt willen doen. Dat U om mijn
overtredingen gestorven bent. En dat U om mijn rechtvaardiging opgewekt
bent.” Weet je dat heel onze zegen daar aan gekoppeld is? Hoe denk jij
dat jij ooit opgenomen gaat worden, de Here Jezus tegemoet in de lucht?
Omdat je besneden bent? Nee. Omdat je het goed gedaan hebt? Ook niet.
Uit genade zijn wij behouden, níét uit onszelf, het is een geschenk van
God. Gods gave. De Here heeft het gegeven. Alleen maar genade, alleen
maar geschonken. En ik heb dat mogen geloven. Ik weet niet waarom Gods
genade aan mij ook werd betoond. Maar ik weet – wij zongen dat vanavond
– in Wie ik gelooft heb. Dit moet je inlijsten. Moet je voor jezelf
houden. Dit moet je eens een keer in je hart plaatsen. Dat moet je er
nooit meer uit laten wegredeneren, ook niet door allerlei roofvogels
laten wegpikken. Dit is klasse! Dit is de Here Jezus. Hij! Hij is onze
behoudenis. En we zijn gerechtvaardigd op grond van geloof. Abraham
geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Dit geloof
wordt jou tot een rechtvaardige daad gerekend. God zegt: “Dat bedoel Ik.
Nu kan Ik met je praten. Nu kan Ik je in Mijn heerlijkheid brengen.” Is
dit nu moeilijk, Romeinen 4? Wet brengt je daar niet, besnijdenis brengt
je daar niet. Jood zijn brengt je daar niet, heiden zijn brengt je daar
ook niet. De enige mogelijkheid is: Genade van God, Zoenmiddel,
Genadetroon – hoofdstuk 3. En hoofdstuk 4: geloof, geloof, geloof.
Anders niets dan: geloof in de Here Jezus en je zult behouden worden.
Dit is zó simpel! Zo eenvoudig! Je hoeft er niets voor in de collectezak
te doen, je hoeft niet in bepaalde knieval te maken voor mensen, mag
alleen maar buigen voor de Here Jezus, en zeggen: “Here Jezus, dank U
wel dat U zó’n groot werk daar op dat kruis tot stand gebracht hebt.” En
nu kom ik weer terug bij het begin: dan je knielen bij dat kruis. Dan ga
je dat kruis omvatten. Dan ga je dat ruwhouten kruis bewonderen. Niet
vanwege de materiaalsoorten, maar omdat de Here Jezus, daar, voor jou en
voor jouw schuld, Zijn leven wilde geven. Dát is geloven in de Here
Jezus. Nou, dan kom je in Goede Vrijdag sfeer, of in Goede Donderdag
sfeer, het is mij goed. En dan ga je de Here Jezus prijzen, dan ga je de
Here Jezus grootmaken. Dan ga je Hem bejubelen! Dan kún je niet anders
dan zeggen: “Ik wil U danken Heer, ik wil U prijzen. Here Jezus ik wil U
zo mijn hart geven. Alles wat ik heb aan U geven, want U, Ú hebt dat
gedaan. U bent de Enige.” Dat is Romeinen 4. Dat is een gigantische
oplossing. En je kunt je dan ook voorstellen dat Romeinen 5 begint: ‘Wij
dan gerechtvaardigd uit het geloof – uit het geloof, niet uit de
besnijdenis, niet dit, maar uit het geloof – hebben vrede met God, door
onze Here Jezus Christus. Dan gaat het verder. Maar dit wordt een soort
afronding van: dit is dé weg, dit is de enige weg: de genade van God en
geloven in de Here Jezus. En ik vraag me af of dit nu zo moeilijk is.
Israël: genade van God en ze zullen zien op Hem die doorstoken werd.
Geloven in de Here Jezus. Precies hetzelfde. En de toekomst? Precies
hetzelfde. Als het Romeinse Rijk weer gezicht krijgt en daar heerst in
Jeruzalem, dan staat de Here Jezus, de Geest van Genade en van Gebed
wordt uitgestort over dat volk, ze zien op Hem die doorstoken werd en ze
geloven. Zelfde. Het kán ook niet anders, er ís geen andere weg. Er is
niets anders dan de Here Jezus. Klinkt een beetje afgezaagd misschien,
maar ik bedoel het heel, heel, heel nadrukkelijk te stellen: Er is níéts
anders dan de Here Jezus. En als je Hem hebt, heb je alles en als je Hem
niet hebt, dan heb je niets. Wie de Zoon heeft, heeft het Leven, wie de
Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. Zwart of wit. Wit is: Hem
wél hebben. Ik wens je een hele witte week toe. De Here zegene ons. Ik
wil kort afsluiten.
|
||
|
|