|
|
08. Staan in de genade
|
|
|
1] Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof,
hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, Iedereen die
van Luther ooit iets gelezen heeft, weet dat Romeinen 5 vers 1 wel eens
de Luthertekst genoemd wordt: “Wij dan, gerechtvaardigd op grond van
geloof, hebben vrede met God, door onze Here Jezus Christus.” Dat vind
ik een beetje jammer, want die tekst is niet alleen voor Luther bedoeld,
die is ook voor mij bedoeld. Ik gun het hem en ik weet dat hij zijn hand
daarop gelegd heeft en dat hij stopte met zélf iets te doen – door op
z’n knieën dit te doen, of door in een klooster dat te doen, door naar
Rome te gaan of door zichzelf wat te ontzeggen of te kastijden. Er is
een moment gekomen dat hij deze tekst aangereikt kreeg en daarin ook
vrede en rust gevonden heeft. We hadden al in de vorige keren, nadenkend
over deze brief, dat het niet op grond van besnijdenis is, niet op grond
van het houden van de wet is, niet op grond van afstammeling van Abraham
zijn, is, dat het niets te maken heeft met alles wat we misschien zouden
kunnen benoemen, maar dat het alléén door het geloof in de Here Jezus
is. Dat is zó wezenlijk dat ik het opnieuw wil onderstrepen. Het is niet
onze inspanning. Het is niet onze trouw. Het is niet ons verlangen.
Natuurlijk zal het hart van iemand die hier zit en als gelovige meedenkt
zeggen: “Ja maar, er was toch een verlangen in mijn hart om vrede met
God te krijgen.” Dat heeft de Heilige Geest gedaan, die de mens
overtuigt van zonde en van gerechtigheid en van oordeel. De Heilige
Geest wil ook vandaag nog steeds werken. Wil nog steeds dit gaan
bewerken, maar het is niet jouw of mijn inspanning, het is op grond van
genade, niet uit onszelf, het is een geschenk, een gave van God. God
heeft het gegeven. En ik hoop zó dat iedereen hier of iemand die
meeluistert, dit geweldige kan nazeggen: “Wij dan, gerechtvaardigd,
rechtensvrij van de zonde, hebben vrede met God, door onze Here Jezus
Christus.” Rechtensvrij van de zonde, er is niets meer tegen ons!
Verderop in deze brief: “Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de
uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardigt! Wie gaat veroordelen?”
Niemand meer! Niets is er meer. Nou, als je zo eens door het leven zou
kunnen gaan, dan zou je denk ik, twee huppeltjes maken in plaats van
één of vier in plaats van twee, maar je zúlt gaan springen, je zult gaan
zingen, je zult gaan dansen, je zult vooral gaan danken. Danken voor het
geweldige van het werk van de Here Jezus. Heb je dat?
Ja…Handtekeningenactie voor Noord-Korea – ik ben er helemaal mee eens –
maar ik ben bijna geneigd om te zeggen: “Laten we maar eens een
handtekeningenactie gaan beginnen van: Wie heeft het niet of wie heeft
het wel?” In de dagen van Ezra en Nehemia werd er een register
neergelegd. Iedereen die meeging doen, die schreef zijn naam in, in het
register. Is dat een soort kerkelijke boekhouding? Die bestaan allang,
dat hoeft niet nog een keer. Maar in je eigen hart eens een keer écht
blootgeven en zeggen: “Ik hoor bij die club, dáár hoor ik bij, dat heb
ik ook. Vrede met God.” Hoe zouden we, zondige mensen, ooit vrede met
God krijgen eigenlijk? Hoe zouden wij in harmonie kunnen leven met een
God die te rein van ogen is om die ene zonde van jou over het hoofd te
zien? Je zou zeggen: “Nou, er zal altijd wel een stiekeme, eigene,
enkele verstopte zonde zijn, dus ik red dat gewoon nooit! Ik zal nooit
rustig zijn als het om God ging. Ik zou altijd bang zijn, dat Hij die de
Heilige is, altijd wel iets zal vinden waardoor ik veroordeeld zal
worden.” Nee, er is geen veroordeling. “Wij dan gerechtvaardigd op grond
van geloof.” De enige voorwaarde is – zoals al eerder gezegd – geloof in
de Here Jezus. Niet meer en ook niet minder. Is dat nu zo moeilijk? Als
het een aantal euro’s zou kosten, had u het allang gekocht. Als het een
groot aantal vakantiedagen zou kosten, had u allang al uw snipperdagen
gespaard. Als het drie vakanties zou gekost hebben, had u ook allang die
drie vakanties losgelaten en gezegd: “Dat wil ik.” En het kost u niets.
En waarom dan niet? Waarom wacht u nog? Waarom zit u nog te denken: “Ja,
ja, je weet maar nooit en …” Daar gaat ’t ie weer. Weet je wel? Dan gaat
die bal weer rollen. En dan ga je altijd kijken naar jezelf: “Ja, ik ben
nog niet zover, want ik heb gisteren nog weer…” of “Ik heb vanmorgen nog
weer…” of: “Ik heb vanmiddag nog weer verkeerde gedachten gehad,
verkeerde beslissingen genomen, verkeerde dingen bedacht, verkeerde
keuzes willen maken.” Wij dan, gerechtvaardigd, rechtensvrij van de
zonde, niets tegen ons, rechtens vríj. Er is geen wet meer die ons kan
veroordelen. Er is geen rechter die ons nog kan veroordelen. Volkomen,
volkomen vrijspraak. Niet door gebrek aan bewijs, maar omdat de Rechter
der ganse aarde geen schuld in jou vindt. En waarom niet? Omdat de Here
Jezus ál die schuld, ál die verkeerdheid, ál die overtreding wégdroeg
aan dat kruis van Golgotha. Geloof je dat? Ja…. Ja, u gelooft dat dit de
christelijke waarheid is. U gelooft dat dit al eeuwen in de christelijke
kerk gepredikt is. U gelooft dat dit in de geschriften staat. U gelooft
van alles. Dat is allemaal waar, dat kun je gemakkelijk instemmend
begroeten. Maar voor jezelf zeggen: “Dit is voor míj gedaan, dit is in
míjn plaats geschiedt, dit is voor míj, voor mij heel persoonlijk het
werk van de Here Jezus aan het kruis geweest”, dat schijnt veel
moeilijker te zijn. Gerechtvaardigd op grond van geloof.
Gerechtvaardigd, rechtens vrij van de zonde. Op grond van besnijdenis?
Nee. Op grond van wet? Op grond van onze daden? Op grond van onze
afkomst? Nee! Alles nee! Alleen door het geloof in de Here Jezus. En wij
hebben nu vrede met God. Er zijn diverse geschiedenissen in de bijbel
opgetekend, ook van koningen, die als er tegenstand komt en die
tegenstander is sterker, is machtiger dan jezelf bent, dan stuur je al
als hij nog ver is een soort deputaatschap. En dan ga je zeggen: “ En
wat zijn de vredesvoorwaarden?” En als dat honderdduizend shikkels
zilver is, nou ja, dan wordt dat opgehoest. Desnoods uit de Tempel
geplukt. Maar het wordt ergens vandaan gehaald en je betaalt dat bedrag.
Want je wilt die oorlog niet, je wilt die confrontatie niet. Die
voorbeelden zijn er, genoeg. En God, de Heilige God, Hém ontmoeten en
dan blijven staan? Ja, dat kan! Vrede met God! God heeft vrede
aangeboden. Een tijdje terug heb ik gepraat hier over een aantal offers.
Er is een schuldoffer (mijn schuld is weg) er is een zondoffer (de
zondige natuur die in mij is, die altijd aanzet tot zondigen, die is ook
weg) en er is een vredeoffer. God biedt vrede aan! Omdat de Here Jezus
alles heeft vereffend, omdat Hij het werk aan het kruis volbracht heeft;
en Hij is opgestaan, Hij leeft, Hij is in de troon bij God. En God, de
Rechter, biedt vrede aan. Steekt Zijn hand uit. Enige vraag is: Pak jij
die hand aan? Dat is geloven. Pak je die hand aan? Zou je die
uitgestoken hand van God negeren of zou je die uitgestoken hand
aannemen? Dat is de kwestie. Vrede met God door onze Here Jezus
Christus. En door Hem hebben wij ook de toegang tot de genade waarin wij
staan. Nou, je kunt dat lied zingen – zoals zopas door Jan Diepeveen
werd opgegeven, zijn lijflied een beetje en dat zingen we mee, dat is
ook een mooi lied. Maar het gaat denk ik nog iets verder. Toegang tot de
genade waarin wij staan. Een tijdje terug hadden we in Romeinen 3, dat
er een Genadetroon is, een Verzoendeksel is. Dat er ergens een plek is
waar het bloed door de hogepriester wordt gebracht en waar De
Hogepriester op dé Grote Verzoendag Zijn bloed heeft gestort op het
Verzoendeksel en voor het Verzoendeksel. En dat er nu een nieuwe en een
levende Weg is. Nu, daaraan wordt gedacht. Jij en ik kunnen nu naderen
in het Heilige der Heiligen – let op alleen de hogepriester, in de oude
dag, nooit iemand anders – wij wel, door het geloof in de Here Jezus!
Een nieuwe en een levende Weg, door het voorhangsel heen – dat is omdat
Hij hier geboren werd, omdat Hij hier op aarde kwam – door het
voorhangsel heen, dat is Zijn vlees. En wij een Grote Priester over het
huis van God hebben, laten we naderen tot die Troon der Genade. Hier, de
toegang verkregen tot de genade waarin wij staan. We staan daar ineens,
daar waar alles maar dan ook alles genade is, daar sta je. Bij de
Genadetroon. Dat is hetzelfde woord in het Hebreeuws als het woord
Verzoendeksel. En het Verzoendeksel lag op de ark van het verbond. Dat
bedekte de wet, dat bedekte de Tien Woorden. En op dat Verzoendeksel
bracht de hogepriester op de Grote Verzoendag, het bloed van een
offerdier. Zo ging dat toen. En dat is later door onze Here Jezus
compleet ingevuld. Helemaal tot in de details ingevuld. En nu hebben wij
de Genadetroon voor ons. En we hebben toegang tot die genade waarin wij
staan. Je zou zeggen: “Nou, daar kniel ik. Daar ga ik vol eerbied en
ontzag afwachten wat er over mij heen komt.” Nee, daar stá je. Ik kan
het me niet goed indenken, ik probeer het wel, u weet het omdat ik er
misschien vaker iets over gezegd heb, dat voor mij het meest kostbare is
van elke dag, om in te gaan in het Heilige der Heiligen. Natuurlijk is
dat niet een soort letterlijk gebouw, maar dat is een soort beleving. In
je geloof mag je naar de Here gaan. En daar ben je echt welkom. En daar
kom je in het meest intieme stuk van Gods verblijf, daar kom je terecht.
Daar mag je zijn, daar mag je staan en dáár in die schitterende
Genadeplek, daar, daar mag jij staan. Hier voel ik me thuis. Dit is het,
wat U gebracht hebt. Genadetroon, daar ben je op dat moment. Natuurlijk
zul je zeggen: “Dan kniel ik, dan buig ik, dan spring ik, dan zing ik…”
U vult het maar in. Maar u mag ook gaan staan. Staan in de genade. En we
hebben de vrije toegang tot die Genadeplek. Daar waar alles genade is.
Wij vinden het al gaaf als mensen genadig zijn, ons iets vergeven, ons
iets niet aanrekenen. Maar stel nu eens dat er een sfeer, een plek zou
zijn waar álles genade ís; waar niets aan: “Je moet nog dit” of: “Je had
eigenlijk dat” gehoord wordt, maar alles genade is. Daar mag je staan.
Daar hoor je. Daar ben je thuis. Dat is ons stukje. De gelovigen zijn
buitengewoon rijk hoor! Die zijn heel erg gezegend. Die hebben echt de
overtuiging dat ze gerechtvaardigd zijn, dat ze rechtens vrij van de
zonde zijn, dat ze vrede met God hebben en dat ze mogen staan, daar waar
álles genade is! Vervolgens, punt 4, en ze hebben ook een hoop, een
verwachting op de heerlijkheid van God. Ook dat is al een keer aan de
orde geweest, maar dat moet terugkomen, omdat het in deze brief heel
vaak herhaald wordt. Want, wat betekent dat: “hoop op de heerlijkheid
van God.”? De heerlijkheid van God, de bijzondere, kenmerkende dingen
van God. De bijzondere eigenschappen van God. De heerlijkheden van God.
“Heerlijkheden” is een hele moeilijke term, dat voelen we aan. Maar de
bijzondere eigenschappen van God, dat wat zotypisch is voor God… Wij
hebben hoop op de heerlijkheid van God, de bijzondere eigenschappen van
God! En het is heel helder dat die bijzondere eigenschappen van God
onder andere inhouden: liefde, genade, vrede, licht, blijdschap en nog
een aantal dingen. Ook heiligheid, ook vuur, ook God-is-Licht. Maar
bijzondere eigenschappen God… wij verwachten de bijzondere eigenschappen
van God te mogen zien! De bijzondere kenmerken van God! En dat zal een
verbazing geven straks! U ziet de Here God, u ziet de Here Jezus. En u
ziet ineens Hém: “O!!! Zó bent U! Ja en de kapper, die zei nog wel dat
Hij niet bestaat. Want er was zoveel onrecht. Die kapper heeft nooit
gezien in het Heilige der Heiligen, hoe U eigenlijk bent!” En vandaag
zeggen mensen: “Ja, met onze God…” gebeurt er dit of gebeurt er dat.
Sommigen zeggen: “Heb je geen problemen meer met je lichaam, of heb je
geen problemen meer met allerlei zakelijke en menselijke dingen.” Hier
staat dat je de heerlijkheid van God zult zien. De bijzondere,
kenmerkende dingen van de Here God zult mogen ontdekken. En dat is een
ontdekking van de bovenste plank. Dat is eigenlijk niet te omschrijven
en toch zal dat gaan gebeuren. Voor de gelovige, die niet op grond van
werken, op grond van wet, op grond van afkomst, maar alleen door het
geloof in de Here Jezus behouden is. En zelfs wordt er dan geroemd in de
verdrukking… Dat is puntje vijf. Ik heb zeven puntjes voor je; ik heb er
nu vier gehad: gerechtvaardigd op grond van geloof, vrede met God,
toegang tot de Genade, hoop op de heerlijkheid van God en vijf: roemen
in de verdrukkingen. En dat is veel moeilijker. Want de gelovigen in
Rome hadden het toen al moeilijk, ze stonden onder druk. Nog iets later
en de gelovigen zijn in Rome heel erg vervolgd geraakt. Ze zijn voor de
leeuwen gegooid, ze hebben de schuld gekregen van die brand in Rome, ze
hebben van alles de schuld gekregen. Het was helemaal niet makkelijk om
daar een gelovige te zijn. Het was moeilijk. Het is heel merkwaardig dat
in deze brief zowel hier als ook in hoofdstuk 8 – dat komt dan later nog
– verdrukking of moeilijke situaties positief worden ingevuld. Dat
kennen we niet. Want als wij moeiten hebben, dan willen wij daar af. Zo
snel mogelijk. Als het niet linksom gaat, dan wel rechtsom. Iedere keer
willen wij ergens af. Wij willen niet in de verdrukking. Dat is ook iets
tegendraads misschien aan ons, maar het is ook moeilijk om het te
verwerken. Ik ga hier niet de grote gelovige uithangen, want dat ben ik
niet. Er zijn ook momenten dat je compleet onderuit gaat. Vrijdagmorgen
in Rijssen. Als je bijna 70 bent, dan moet je gekeurd worden voor je
rijbewijs. Allemaal gebeurd, ik heb de dokter niet omgekocht, het is
gelukt. Ik ga met de brief in m’n hand naar het Gemeentehuis.
Pasfotootje gehaald, je moet niet lachen; ik mocht mijn mond ook niet
open hebben en ik zei: “Dat is heel moeilijk voor een spreker”. Maar
goed. Ik ga blij naar het Gemeentehuis, dien de paparassen in, betaal 40
euro vrijwel, ik krijg over vijf dagen een plastic kaartje. Ik ga eruit,
blij en gelukkig: weer voor vijf jaar onder de pannen. Ik was ook best
blij. Stoeptegel ligt ongelijk – centimeter verschil – daar lig ik. Nee,
in een flits gaat het door me heen: toen de paus in Rijssen kwam heeft
hij de grond gekust, heb jij nooit gedaan dus moet alsnog. Flauw hoor.
Zelfs dat heb ik later pas gedacht, maar niet op dat moment. Maar
“Halleluja” roepen was er ook niet bij. Roemen in de verdrukkingen? Nou…
tjonge jonge, ik lag daar languit, beschadigingen overal. Je bent
geneigd om terug te rennen naar het Gemeentehuis en om ze daar de huid
vol te schelden en te zeggen: “Zorg er voor dat die stoeptegels recht
liggen.” Heb ik vanmorgen gedaan in een dienst in Rijssen. Ik moest in
Rijssen spreken vanmorgen en heb dit voorbeeld verteld; ik kwam toen ook
in de verdrukkingsfeer. Wie schetst mijn verbazing dat de burgemeester
van Rijssen vanmorgen in de dienst zat! Die man nooit gezien, nooit
ontmoet, ook niet herkend van plaatjes. Na afloop komt ’t ie, pakt m’n
hand en zegt: “Ik maak er morgenochtend gelijk werk van!”. Het werkt
wel. Het bleek een gelovige te zijn die bandjes over Nehemia van Dato
grijs gedraaid had. We hadden een heel fijn gesprek. En dan ben je blij
dat je zo’n man ontmoet die toch voor de Here kiest, dáár, in die
omgeving. Schitterend is dat. Dat is prachtig. Het ging mij niet om mijn
verhaal, het ging mij om verdrukkingen. En er hoeft niet dát te gebeuren
en je bent van je hallelujah-sfeer weg, heb je helemaal niet meer en je
bent misschien wel geneigd om van alles te bedenken: “Heer is dát Uw
weg? Moet ik hier eerst echt helemaal afgaan? Moet ik plat op mijn neus
vallen?” Nu, we zijn al weer drie dagen later, denk ik: “Nou, je begint
al een beetje te roemen in de verdrukkingen.” Dat heb ik gedaan, met
jullie net, zopas. Het is al een beetje aan het omdraaien. Zou de Here
moeilijke dingen in onze levens willen gebruiken? Ja! Zou Hij dat alleen
maar doen bij Paulus: “Ik roem in de verdrukkingen!”? Nou, dat was een
pak slaag hier en een gestenigd zijn daar, en schipbreuk ginds, en nou
ja, een hele opsomming; zoveel keer die geselslagen vijftig min één
ontvangen. En hij noemt maar op en hij gaat maar door en hij golft maar
over. Ja maar dát willen wij niet! We willen helemaal geen problemen! En
áls we dat hebben, dan gaan we naar advocaat huppeldepup of we gaan naar
genezer daar en daar, wij willen een oplossing! Wij willen gelijk van
onze problemen af. Is dat niet ongeveer wat we voelen een beetje? Ja,
als je dan toch een zorgverzekering hebt, dan moeten ze dat ook maar
ophoesten. En als ze dat niet voor 100% doen, dan bel ik Kassa op of een
club – gisteravond zag ik een klein stukje televisie. Róémt u wel eens
in de verdrukkingen? “Doe jij dat wel Dato?” Nou, nee. Ik mopper wel
eens in de verdrukking. Wij roemen in… Weet je waarom? Omdat die
verdrukking je uiteindelijk, je uiteindelijk brengt naar Hem die alle
verdrukking doorstaan heeft en die vrede met God heeft aangeboden. En
dat is niemand minder dan onze Here Jezus Zelf! Hij, onze Here Jezus,
Hij wilde die onderste weg gaan, en die weg van het kruis gaan. Hij
wilde lijden. Hij wilde Zijn leven geven. Hij wilde tot in de dood gaan.
En Hij heeft álles bij God in orde gemaakt. Daar leidt verdrukking je
heen! Ik denk dat heel veel van ons liggend in de tandartsenstoel…meest
aangename…oké. En dan vóélt het goed… En ik ken héél veel gelovigen die
gezegd hebben: “En toen dacht ik aan het lijden van de Here Jezus.”,
daar in die stoel. Niet omdat Hij tandarts was. Maar je voelt het aan he,
je neemt het al over. Zodra er iets ergs gebeurt, dan projecteer je dat
heel vaak op dat wat de Here Jezus heeft willen doen op het kruis van
Golgotha. Roemen in de verdrukking. In Romeinen 8 heet dat: “Wij weten
dat God alle dingen waarmee wij worstelen ten goede gebruikt, want (…),
want (…), want (…), want (…)” Net zo’n opsomming, precies zo’n
opsomming! Alle dingen! Ook die straatveegsessie daar in Rijssen? Ja,
ook ja. Daar. Alle dingen meewerken ten goede voor die God liefheeft.
Voelt u de onrust een beetje komen in evangelisch Nederland? Ja, dat
willen we niet. Daar willen we af. Ik weet niet waar het dan precies
stopt, op een bepaald moment is…. Ja, een mevrouw van 93, dan denk ik:
“Ja, ja, die heeft haar tijd wel gehad.”, daar hoef je niet meer voor te
bidden en daar hoef je ook niet meer – laat ik maar zeggen – aan de
zeul, mee naar ginds of naar daar te gaan. Dat hoeft dan niet meer.
Mevrouw overleed van de week, ze is blij met de Heer. Ik wil zo graag
helder hebben – hier in dit stukje staat het allemaal, echt waar hoor,
het staat er helemaal in, heel precies – en wij roemen ook in de
verdrukkingen, want die verdrukking die leidt tot hoop. En waarom kun je
dit nu zeggen? Waarom leidt die verdrukking nu tot hoop? Hoe kun je dit
waar maken? Nou, zoals in Romeinen 8 op de vraag “alle dingen zullen
meewerken ten goede” er een “want” volgt en een uitleg volgt en argument
op argument volgt, van: “kijk dan eens! Kijk dan eens! Kijk dan eens!
Zie het dan! Snap het dan!” Want als God je gekend heeft dan heeft Hij
je bestemd. En als Hij je bestemd heeft, dan heeft Hij je
gerechtvaardigd. En als Hij je gerechtvaardigd heeft dan heeft Hij jou
geroepen. En als Hij je geroepen heeft, dan zal Hij jou verheerlijken.
Dús: “Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God?
God is het die gerechtvaardigd, wie zal nog veroordelen?“ Romeinen 8.
Hier: Wij roemen in de verdrukkingen. Want God, de Heilige Geest, de
Liefde van God is in je hart uitgestort! Het argument is: De Heilige
Geest, van God gekomen, woont nu in jou; Gods liefde woont in jou! En of
het nu met een krakkemikkerig lichaampje is of met een volkomen gaaf
gezond lichaam is, dat doet er niets aan af. Gods liefde woont in jou,
door de Heilige Geest die Hij gestuurd heeft! Gods liefde woont in jou.
Daarom kan Petrus zeggen dat we deelgenoot van de Goddelijke natuur zijn
geworden. Dat gaat heel ver. We staan in de genade van God (God is
Genade) we hebben het Licht in ons (God is Licht) we hebben de liefde
van God in ons (God is Liefde). Dat is alles ín ons! We zijn geweldig!
Volkomen nieuw. Nieuwe scheppingen. Het oude is voorbij, het nieuwe is
gekomen! Het is alles super. Door de Here Jezus. Door dat schitterende,
volbrachte werk van de Here Jezus. Omdat Hij, met Zijn bloed, in het
Heiligdom is gegaan; in het Heilige der Heiligen is gekomen. De
Hogepriester deed op de Grote Verzoendag als een aards gebouwtje
tabernakel of later de tempel. Maar de Here Jezus is in de hemel zelf
gegaan. Voor God verschenen met Zijn eigen bloed. Verzoening tot stand
gebracht. Waardoor God Zijn hand in Vrede kan uitstrekken en tegen jou
en tegen mij en zeggen: “Het is geweldig.” Nou daarom – puntje zes –
worden wij behouden. Daar wil ik de nadruk opleggen, want er is verschil
in brief. Als u de brief aan de Efeziërs leest, dan bent u nu behouden.
Wij zijn behouden. Maar als u de brief aan de Romeinen leest, dan is de
behoudenis, dat wat we straks krijgen. Is dat met elkaar in tegenspraak?
Nee, maar het is wel wat anders. In Efeze 1 bent u al een zoon en een
dochter van de Vader; bent u al in de hemel, is de behoudenis nu al ons
deel. En in de Romeinenbrief komt dat nog. Daarom noemen we de brief aan
de Romeinen wel eens een “Woestijnbrief” – op weg naar, in de woestijn,
doorgaan, een soort reisbrief. En wordt de brief aan de Efeziërs wel
eens een “Landbrief” genoemd – we zijn er al, we zijn al aangekomen, we
zijn al in het land, in het land van de belofte; we zijn al daar gekomen
daar waar de Here gaat zegenen. Vergeet die moeilijke termen maar, maar
hier gaat het erom dat de behoudenis nog toekomstig is. Er staat wel dat
de behoudenis ons nu nader is dan toen wij tot geloof kwamen. Dat
betekent dus dat we wel dichterbij gekomen zijn, maar dat we het nog
niet hebben. Hier staat, broeder en zuster, dat u straks de Here Jezus
zult gaan zien. Hier staat dat wij vandaag onze hoop op Hem mogen
vestigen. Hier staat dat wij verlangen mogen hebben om bij Hem te zijn.
Dat we hoop hebben! Onze hoop is Hem te zien in heerlijkheid en in
glorie! Onze hoop is om daar de bijzondere eigenschappen van God te
zien! Om het hele unieke van onze God en onze Vader en onze Here Jezus
te ontdekken. Daar, in de hemel. Daar verlangen we naar! Daarheen zijn
we op weg! De behoudenis, die komt er aan! Het staat op aanbreken! Het
is bijna zover! Wij zijn die Maranathachristenen die zeggen: “Ja Here
Jezus. Wij willen U graag zien, wij willen U graag omgeven. We willen U
graag bedanken. Wij willen U graag eren. Maar we willen ook graag
ontdekken wie U bent en wat U allemaal voor ons hebt bewerkstelligd,
Here Jezus.” Dat is geweldig. Daarom: wij worden behouden omdat wij
verzoend zijn door het kostbare bloed van onze Here Jezus Christus. Het
offer van onze Here Jezus komt iedere keer in deze brief terug. Bijna
elk stukje van de Romeinenbrief gaat over het bloed van onze Here Jezus;
de verzoening door het bloed van onze Here Jezus. Zonder dat is er geen
vergeving. Zonder dat is er eigenlijk niets. Jij en ik mogen, nu we
verzoend zijn, die behoudenis voor ons hebben. Die behoudenis is
gewoon: Here Jezus komt ons brengen waar Hij Zelf is, waar Hij plaats
heeft bereidt. Daar wil Hij ons brengen, daar wil Hij ons laten
genieten. Hoe dat gaat? Wij gaan hier vandaan met z’n allen. Is dat een
soort touringcar naar Katwijk aan Zee om daar met 1700 mannen te zingen?
Nou, zusters mogen ook mee. Dat is één groot verschil. Vervolgens gaat
het niet per touringcar, maar met een hele speciale taxi. En die is in
Ezechiël 1 omschreven en dat is een heel merkwaardig voertuig, daar kunt
u allemaal in. En als dat ding gas geeft, dan bent u er ook. En dan maar
praten over miljoenen lichtjaren enzo. Ja, hele moeilijke materie, geef
ik toe. Maar wat daar gebeurd is zo onvoorstelbaar heerlijk, dat u en ik
in één keer in die wagen van God, dat bijzondere voertuig van God,
weggenomen worden en de Here tegemoet gaan in de lucht. En Hij brengt
ons daar. Wat een dag zal dat zijn. Voor Hem. Bij Hem zijn. Wij zijn op
weg. Romeinen 5 vers 1 zegt: “Gerechtvaardigd op grond van geloof hebben
we vrede met God.” Ben je dan bang om daar aan te komen? Nee. Ik zou Hem
graag een hand willen geven. Ik zou Hem graag willen bedanken. Ik zou
Hem graag willen eren. Maar is dat niet te populair? Nou, misschien wel.
Maak dan een knieval in de hemel. Zeg: “Alstublieft, ik snapte het niet
zo goed daar beneden, want de uitleggers die waren maar een beetje half,
half, maar nú zie ik U! Nu zie ik U pas goed! Nu krijg ik pas door wie U
bent!” U gaat het wel zien. En u gaat echt een geweldige, geweldige
glorie van de hemel staan. Daarom eindigt dit stukje met: “En wij roemen
ook in God.” Nou, daar is een mooie psalm van: “Ik roem in God, ik prijs
het onfeilbaar Woord”, weet je wel. “Ik roem in God” dat betekent dat je
God sowieso, hoe het ook zit, of je het snapt of niet snapt, eer geeft.
Dat je Hem glorie geeft. Dat je Hem bedankt. Dat je Hem omhoog houdt.
Dat je van Hem zegt: “Hij is alles! Hij is werkelijk alles! Meer dan wij
kunnen behappen, Hij is alles. Ik roem in God en ik prijs het onfeilbaar
Woord.” Paulus schrijft aan de gemeente in Rome, waar het heel moeilijk
was, waar verdrukkingen waren, waar – zoals ik zopas al schetste – de
vervolgingen op uitbreken stonden of al begonnen waren. Dat was wat hij
hier voor zich had. En je weet uit de ongewijde geschiedenis – of dat nu
over Ben Hur gaat of over anderen – het is heel rot geweest daar in die
tijd. Nero en al die anderen, er zijn keizers geweest van het Romeinse
Rijk, die hebben het heel erg bont gemaakt. En wij roemen in de
verdrukkingen. En we zeggen: “Ja, het kan wel moeilijk zijn, maar dat
brengt ons dichterbij en het geeft ons hoop, want dat betekent dat het
binnenkort zover is.” Dat is heel moeilijk, want we willen hier graag
blijven. We willen graag dit of dat vieren, ik ook wel. We hoeven ook
niet levensmoe te zijn. Maar gelovigen moeten ook een keer durven
zeggen: “Onze taak hier op aarde is maar heel beperkt. We zijn op weg
náár… de behoudenis wacht. We roemen in de hoop op de heerlijkheid van
God en we worden behouden omdat wij verzoend zijn door het kostbare
bloed van de Here Jezus.” En wij roemen in God Zelf. We prijzen de Here,
we eren onze Here, we maken Hem groot. Het is één en al lofzang
eigenlijk, Romeinen 5 vers 1 tot en met 11. Er zit een gigantisch stuk
perspectief in, van: binnengaan, staan, daar waar de genade, genade,
genade is. Daar waar God Zelf is, waar Zijn wezen zichtbaar is, waar de
Vader is in het Huis van de Vader; waar de Here Jezus is, die Zichzelf
gegeven heeft en door dat kostbare bloed ons ingebracht heeft. Het is
één en al lofzang. Stel dat dit een paar dagen blijft hangen. Dan is er
dank in de hemel omdat er op aarde lof gezongen wordt, gedankt wordt
voor God Zelf. Ik roem in God, ik wil U prijzen om wie U bent. En ik ben
niet meer bang voor U, want U bent mijn Vader. Vrede met U en liefde van
U is al in mijn hart en ik sta al in de genade en er kan me niets meer
gebeuren. Ik heb een geweldige, schitterende hoop en een prachtige
toekomst voor mij. Dat is geloofsopbouw. Dat is voor je hart bedoeld.
Dat is liefde en zorg van Gods kant, om jou en mij zo dichtbij te
brengen dat we nu al gaan prijzen en eren Hem die dat ook echt waard is.
Ik wil nog graag danken. |
||
|
|